שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Toelichting bij de geloofsbelijdenis

door J.C. Plooy


De door mij voorgestelde geloofsbelijdenis is geschreven naar het model van het beroemde Symbolum Apostolicum, ook wel kortweg het ‘Apostolicum’, de ‘Apostolische geloofsbelijdenis’ of de ‘Twaalf artikelen van het christelijk geloof’ genoemd. Het Apostolicum is niet alleen de christelijke geloofsbelijdenis met de oudste papieren, maar geldt bovendien als de belijdenis die door vrijwel alle christenen zonder voorbehoud als beknopte samenvatting van de christelijk leer wordt erkend. In veel kerken geniet het nog altijd groot gezag, hetgeen onder meer tot uitdrukking komt in het geloofsonderwijs en in de liturgie van kerkdiensten. Evenals het Apostolicum bestaat de door mij voorgestelde geloofsbelijdenis uit twaalf uitspraken. Ook de volgorde van de uitspraken komt min of meer overeen met die van het Apostolicum: de belijdenis begint met het geloof in God en in zijn Messias, Jezus Christus, en eindigt met de verwachting van eeuwig leven op een nieuwe aarde.

Door de zes uitspraken in het Apostolicum over Jezus samen te voegen tot één geloofsuitspraak in het midden van de geloofsbelijdenis, wordt sterker dan in het Apostolicum benadrukt, dat de belijdenis met betrekking tot de persoon, de leer en het leven van Jezus Christus het centrum vormt van het christelijk geloof. Tegelijk maakt deze samenvoeging het mogelijk een aantal uitspraken toe te voegen waarin wordt ingegaan op belangrijke onderwerpen die in het Apostolicum onbesproken blijven, zoals de betekenis van de door God gegeven leefregels, de rol van het joodse volk en de wijze waarop mensen deel kunnen krijgen aan het Koninkrijk van God, vergeving van zonden en schuld, en het eeuwige leven. Anders dan het Apostolicum bevat de door mij voorgestelde geloofsbelijdenis echter geen geloofsuitspraak over de kerk. De reden daarvan is, dat over de kerk allerlei opvattingen mogelijk zijn, die er geen van alle aanspraak op kunnen maken tot de kern van het christelijk geloof te behoren. Het gaat in het christelijk geloof niet om de kerk, maar om het Koninkrijk van God, dat zowel in als buiten kerken gestalte krijgt.

1. Ik geloof in Jahweh als de almachtige en eeuwige God, onze Vader, de Schepper en Koning van al het zichtbare en onzichtbare, die als enige aanbeden mag worden.

  • Er zijn drie redenen om God in de geloofsbelijdenis uitdrukkelijk ‘Jahweh’ te noemen, de naam waaronder Hij zich aan Israel heeft geopenbaard. Ten eerste heeft God uitdrukkelijk bevolen Hem te aanbidden onder de naam ‘Jahweh’ (Exodus 3:15: “Dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht”). Ten tweede geeft het gebruik van de naam ‘Jahweh’ aan, dat God niet maar een of ander bovennatuurlijk ‘opperwezen’ - een abstract ‘iets’ ergens hierboven - is, maar een ‘Persoon’, met wie mensen een wederkerige relatie kunnen hebben. Ten derde blijkt uit het noemen van de naam ‘Jahweh’ duidelijker dan in de traditionele geloofsbelijdenissen, dat christenen dezelfde God aanbidden als de joden. Het belang daarvan kan in verband met de relatie tussen joden en christenen moeilijk worden overschat. In de overige uitspraken van de belijdenis wordt steeds de naam ‘God’ gebruikt, omdat de meeste mensen daar meer mee vertrouwd zijn dan met de naam ‘Jahweh’. De eerste geloofsuitspraak laat er echter geen misverstand over bestaan, dat met de naam ‘God’ Jahweh wordt bedoeld, de God van Israel.
  • Aan de belijdenis dat God almachtig is - hetgeen wil zeggen, dat de uitvoering van zijn wil door geen enkele andere macht of invloed doorkruist of verhinderd kan worden -, is toegevoegd, dat Hij eeuwig is. Dat wil niet zeggen dat Hij onveranderlijk of tijdloos is, maar dat Hij de wereld transcendeert en op geen enkele wijze gebonden is aan de beperkingen van ruimte, tijd en wetmatige causaliteit waaraan de wereld onderworpen is. Met de ‘almacht’ van God werd vanouds uitgedrukt, dat God machtiger is dan alle andere goden of machten in de wereld. In onze tijd is het echter minstens zo belangrijk uit te spreken, dat God zich weliswaar in de wereld openbaart, maar tegelijk geheel anders is dan de vele verschijningsvormen waarin Hij zich openbaart. God moet daarom niet alleen ‘de Almachtige’ genoemd worden, maar ook ‘de Eeuwige’.
  • De traditionele uitdrukking ‘God de Vader’ wekt ten onrechte de indruk, dat God alleen de Vader van Jezus Christus is - te meer als in hetzelfde verband gesproken wordt over Jezus als ‘de Zoon’. Het is waar, dat God op een bijzondere manier de Vader van Jezus is, omdat Hij Jezus heeft aangewezen om zijn Messias te zijn, de wereld met Hem te verzoenen, op aarde zijn Koninkrijk te vestigen en namens Hem het eindgericht te voltrekken. Dat betekent echter niet, dat Hij alleen de Vader van Jezus is. Op een meer algemene manier is God de Vader van alle mensen. Het is daarom beter God in de geloofsbelijdenis niet neutraal ‘de Vader’ te noemen, maar ‘onze Vader’. Daarmee is dan bedoeld, dat God ons heeft voortgebracht en ons liefheeft, ondersteunt en leidt zoals idealiter een aardse vader zijn kinderen.
  • Aan de belijdenis van God als Schepper is toegevoegd, dat Hij ook de Koning van alle dingen is. Daarmee wordt benadrukt, dat de dingen niet alleen door God zijn ontstaan, maar dat Hij ze ook onderhoudt en regeert. Dit is voor een goed begrip van het christelijk geloof van cruciaal belang. Bovendien heeft God zich in de geschiedenis veel meer als Koning geopenbaard dan als Schepper. We zouden zelfs kunnen zeggen, dat God zich in zijn Koningschap openbaart als Schepper: het is in de geloofservaring van zijn Koningschap, dat wij Hem ontmoeten als Schepper. Het gaat in het geloof in God als Schepper dan ook niet zozeer om de wijze waarop de wereld in een ver verleden is ontstaan, als wel om de wijze waarop alle dingen bestaan, namelijk uit, door en tot God (vgl. Romeinen 11:34-36).
  • Met de belijdenis dat God de Schepper en Koning van ‘al het zichtbare en onzichtbare’ is, wordt bedoeld, dat Hij niet alleen de materiële werkelijkheid (‘het zichtbare’) geschapen heeft, onderhoudt en regeert, maar ook de psychische werkelijkheid en de geestelijke werkelijkheid (‘het onzichtbare’). Daarmee is niet gezegd, dat de wereld in elk opzicht in overeenstemming is met de wil van God, maar dat er in de wereld niets is dat buiten zijn wil om bestaat of gebeurt.
  • Met de belijdenis dat Jahweh als enige aanbeden mag worden, wordt aangesloten bij de aanhef van het joodse Sjema‘: “Hoor, Israel, Jahweh is onze God, Jahweh alleen” (Deuteronomium 6:4). Daarmee is niet gezegd dat er geen andere goden zijn, maar dat Jahweh de enige is die aanbeden mag worden (vgl. Exodus 20:3, Deuteronomium 5:7). Het is van belang dat uitdrukkelijk in de belijdenis op te nemen, omdat anders door de verwarrende manier waarop veel christenen over Jezus spreken, het misverstand zou kunnen ontstaan, dat het christendom meerdere goden aanbidt. Het christendom erkent evenals het jodendom alleen Jahweh als God. Christenen geloven dat Jezus de Messias is, dat hij na zijn verrijzenis en tenhemelopneming goddelijke heerlijkheid en macht ontvangen heeft, en dat hem daarom goddelijke eer toekomt. Dat betekent echter niet, dat hij vereerd mag worden alsof hij gelijk was aan God. Jezus mag daarom niet worden aanbeden.

2. Ik geloof dat God de wereld door zijn Woord onderhoudt en regeert en de mensen als onderdeel daarvan regels gegeven heeft als weg om in verantwoordelijkheid overeenkomstig dat Woord te leven.

  • Met het ‘Woord’ van God is niet een gesproken of geschreven woord bedoeld, maar het Woord waarvan sprake is in Johannes 1:1-2: de Logos der wereld, dat is de kosmische orde voor de wereld en de beslissing van God om alles overeenkomstig die orde te laten bestaan en gebeuren. Het Woord van God is Gods ‘plan’ of ‘ontwerp’ voor de wereld, de wijze waarop en het doel waartoe de wereld naar zijn wil bestaat. Vanuit een ander perspectief zouden we het ook Gods ‘Wijsheid’ kunnen noemen. Het begrip ‘Woord’ drukt echter beter uit, dat het gaat om een relatie waarin de wereld als het ware antwoord geeft op de wil van haar Schepper.
  • Het Woord van God bepaalt de wijze waarop alles bestaat zoals het bestaat en gebeurt zoals het gebeurt. De mensen zijn echter niet willoos aan dat Woord onderworpen. God geeft de mensen de mogelijkheid om binnen de grenzen van de natuurlijke wetmatigheid van hun bestaan in vrijheid beslissingen te nemen en hun leven zelf in te richten. Zijn Woord heeft voor de mensen dan ook het karakter van een norm, waaraan zij behoren te voldoen, maar waar zij ook van kunnen afwijken. Het bepaalt de wijze waarop wij behoren te leven, zonder ons daartoe te dwingen. Dat maakt ons verantwoordelijk voor de wijze waarop wij leven. Wij zijn geroepen om uit vrije wil aan de norm van God voor het mens-zijn te beantwoorden. Alleen zo komen wij tot ons recht en tot onze bestemming. Het Woord van God impliceert dan ook, dat wij overeenkomstig bepaalde regels behoren te leven. Daarbij moet niet alleen gedacht worden aan de centrale morele leefregel, dat wij God behoren lief te hebben boven alles en onze medemensen als onszelf (vgl. Mattheüs 22:34-40), maar ook aan leefregels op het gebied van ethiek, cultuur, economie, recht en maatschappij. God heeft ons met die regels, die in het Oude Testament tezamen de ‘Tōrā van Jahweh’ worden genoemd, de weg gegeven om in verantwoordelijkheid overeenkomstig zijn Woord te leven.
  • Het is om twee redenen van groot belang uitdrukkelijk in de belijdenis op te nemen, dat ons leven onderworpen is aan door God gestelde regels. Ten eerste is dat in onze tijd al lang niet meer vanzelfsprekend. Velen denken tegenwoordig, dat de mens autonoom in staat is zijn eigen leven te bepalen en daarover hoogstens tegenover zijn medemensen verantwoording hoeft af te leggen. Om duidelijk te maken waar het christelijk geloof voor staat, moet dat uitdrukkelijk worden weersproken. Ten tweede vormt het geloof dat God voor ons leven regels gesteld heeft, de basis voor de hele christelijke leer. Wie probeert het christelijk geloof uit te leggen zonder te spreken over de door God gestelde leefregels - bijvoorbeeld door alleen te spreken over Gods liefde -, is dan ook als iemand die probeert een huis te bouwen zonder eerst een fundament te leggen (vgl. Mattheüs 7:24-27).

3. Ik geloof dat God zijn leefregels geopenbaard heeft in de geschriften van de Bijbel en in menselijke inzichten voor zover deze niet met die geschriften in strijd zijn.

  • Het verdient naar mijn mening de voorkeur niet te spreken over ‘de Bijbel’ zonder meer, maar over de ‘geschriften van de Bijbel’, omdat daarmee beter tot uitdrukking wordt gebracht, dat de Bijbel geen boek is dat als afgerond geheel als het ware door God zelf geschreven is, maar een door mensen samengestelde verzameling van geschriften waarin mensen uitdrukking hebben gegeven aan hun omgang met God en die tezamen door de christenen worden erkend als gezaghebbende openbaring van God.
  • Veel christenen gaan ervan uit, dat de leefregels van God uitsluitend geopenbaard zijn in de geschriften van de Bijbel. Dat is echter een vergissing, en het wordt tijd ons daar in een geloofsbelijdenis rekenschap van te geven. Zoals ook duidelijk uit de Bijbel zelf blijkt, openbaart God zich niet alleen door middel van geschreven teksten, maar ook door middel van dromen, profetieën, visioenen en indrukwekkende gebeurtenissen, en kunnen zijn leefregels tot op zekere hoogte zelfs zonder zulke bijzondere openbaringservaringen gekend worden. Bovendien blijken de geschriften van de Bijbel in de praktijk vaak niet te voldoen als het gaat om het vinden van maatstaven voor goed en kwaad. Evangelisch geloof houdt in, dat het onderscheid van goed en kwaad ook in zulke situaties niet autonoom door de mens zelf bepaald wordt, maar berust op de wil van God. Om deze redenen is het goed te erkennen, dat God zijn leefregels niet alleen geopenbaard heeft in de geschriften van de Bijbel, maar ook in menselijke inzichten. Het gaat daarbij niet alleen om inzichten die in de joodse en christelijke tradities zijn ontstaan, maar ook om wijsheid in andere culturen. Met de belijdenis dat God zijn leefregels alleen in menselijke inzichten openbaart voor zover die niet in strijd zijn met de geschriften van de Bijbel, wordt echter uitgedrukt, dat die geschriften weliswaar niet de enige bron vormen waaruit we de leefregels van God kunnen kennen, maar wel bepalen, wat al dan niet als openbaring van die leefregels erkend kan worden.

4. Ik geloof dat God de joden heeft uitverkoren om als heilig volk op priesterlijke wijze voor Hem te leven, tot zegen en licht voor de andere volken.

  • Met deze geloofsuitspraak wordt erkend, dat het verbond dat God volgens de geschriften van de Bijbel met het joodse volk gesloten heeft, en de bijzondere roeping van het joodse volk die daaruit voortvloeit, nog altijd van kracht zijn. Door dit uitdrukkelijk in de belijdenis op te nemen wordt afstand genomen van de gedachte, dat er sinds Jezus Christus geen wezenlijk verschil meer zou bestaan tussen joden en niet-joden. Daarmee is niet gezegd, dat de joodse traditie gelijkwaardig is aan de christelijke leer. Waar het om gaat is, dat de christelijke leer ruimte moet geven aan de erkenning, dat het joodse volk nog altijd een bijzondere roeping heeft en met het oog daarop in de verhouding van God tot de mensen een bijzondere rol vervult.

5. Ik geloof dat God uiteindelijk de daden van alle mensen in een eindgericht zal berechten, het kwade zal bestraffen en het goede zal belonen.

  • Met deze geloofsuitspraak wordt uitdrukkelijk afstand genomen van de postmodernistische opvatting, dat mensen alleen verantwoordelijk zijn tegenover hun medemensen. Er komt voor alle mensen een moment waarop zij tegenover God verantwoording zullen moeten afleggen over de mate waarin zij daadwerkelijk in overeenstemming met de door Hem gegeven leefregels gehandeld hebben. Zoals ook Jezus meermaals benadrukt heeft, zal het kwade in hun daden daarbij worden bestraft en het goede beloond. Veel christenen lijken te geloven, dat van een eindgericht geen sprake zal zijn, omdat Jezus de straf al gedragen zou hebben. Dat is echter een ernstige misvatting, die kan leiden tot gemakzucht in de naleving van de door God gestelde leefregels. Zoals in de elfde geloofsuitspraak wordt beleden, is er vergeving in het eindgericht, maar niet voor iedereen.

6. Ik geloof in Jezus Christus als de hoogste door God gezonden profeet, de Messias der wereld, onze Heer, die de openbaring van de door God gegeven leefregels heeft vervolmaakt, in volkomen gehoorzaamheid daaraan heeft geleefd, is gekruisigd, gestorven en begraven, maar op de zondag daarna weer uit de dood is opgewekt, verrezen is en is opgenomen naar de hemel, de troon van God, waar hij goddelijke heerlijkheid en macht heeft ontvangen en vanwaar hij uiteindelijk terug zal komen om namens God het eindgericht te voltrekken.

  • Met de belijdenis dat Jezus Christus de hoogste door God gezonden profeet is, wordt uitdrukkelijk afstand genomen van de gangbare opvatting, dat Jezus een incarnatie van God zou zijn - een verschijning van God in mensengedaante. De incarnatieleer - die helaas nog altijd door de meeste christenen wordt aangehangen - berust niet op het christelijk geloof, maar op een heidense mythologie. Zij is bovendien in strijd met datgene, wat de geschriften van de Bijbel over Jezus vermelden, zoals het feit dat hij gestorven is en enkele dagen later door God uit de dood is opgewekt. Ook de volgelingen van Jezus zagen in hem - zelfs na zijn verrijzenis en hun vervulling met de Geest van God op de Pinksterdag (Handelingen 2:1-4) - niet een incarnatie van God, maar een profeet (zie bijvoorbeeld Handelingen 2:22-24, 3:12-26). Het is dan ook een ernstige dwaling in de geloofsbelijdenis van Nicea-Constantinopel en in alle theologie die daarop is gebaseerd, dat Jezus vóór zijn geboorte bestaan zou hebben als een goddelijke persoon die deel had aan de godheid van Jahweh. Die opvatting berust niet alleen op de mythologie van de incarnatieleer, maar komt zelfs neer op een vorm van meergodendom en is daarom in strijd met wat God uitdrukkelijk verboden heeft (zie Exodus 20:3, Deuteronomium 5:7, 6:4).
  • Christenen noemen Jezus meestal ‘Zoon van God’. Omdat er over de betekenis van die titel veel misverstanden bestaan, geef ik echter de voorkeur aan de titel ‘Messias’. We moeten daarbij bedenken, dat de uitdrukking ‘Zoon van God’ in de tijd van Jezus geen mythologische betekenis had, maar werd gebruikt als aanduiding van de Messias. Zie bijvoorbeeld Mattheüs 16:16 en Romeinen 1:3-4. Dat Jezus destijds ‘Zoon van God’ werd genoemd, hield dan ook niets anders in dan dat hij de Messias was. Aangezien dat tegenwoordig niet meer begrepen wordt en de uitdrukking veeleer misverstanden oproept - zoals de opvatting, dat hij een soort mythologische halfgod was, die door God bij de maagd Maria verwekt was en daardoor zowel goddelijke als menselijke eigenschappen had -, lijkt het beter de titel ‘Zoon van God’ te vermijden en te spreken over Jezus als Messias. De toevoeging ‘der wereld’ dient om te verduidelijken, dat Jezus niet alleen de Messias van de joden is, maar die van de hele wereld.
  • Met de belijdenis dat Jezus ‘onze Heer’ is, wordt evenals in het Apostolicum uitgedrukt, dat hij door ons geëerd wordt als de hoogste autoriteit, aan wie wij meer gehoorzaamheid verschuldigd zijn dan aan welk menselijk gezag ook.
  • In het Apostolicum wordt over het aardse leven van Jezus alleen vermeld, dat hij uit de ‘maagd’ Maria geboren is. Dat heeft geleid tot het misverstand, dat de veronderstelde maagdelijkheid van zijn moeder Maria tot de kern van het christelijk geloof behoort, en de aandacht afgeleid van wat Jezus als Messias heeft gedaan. Om deze reden heb ik ervoor gekozen de geboorte uit de ‘maagd’ Maria niet te vermelden - hetgeen overigens niet wil zeggen, dat christenen daar niet in zouden mogen geloven -, maar in plaats daarvan aan te geven, wat Jezus' messiaanse missie tijdens zijn aardse leven is geweest: vervolmaking van de openbaring van de door God gegeven leefregels en een leven in volkomen gehoorzaamheid daaraan.
  • Er bestaat verschil van mening over, na hoeveel dagen Jezus uit de dood is opgewekt. Volgens sommigen is het gebeurd op de tweede dag na die van zijn begrafenis, volgens anderen op de derde dag. Naar mijn mening bestaat voor de eerste opvatting het sterkste bewijs, maar is er ruimte voor discussie. Om deze reden heb ik ervooor gekozen de traditionele formulering ‘op de derde dag’ te vervangen door ‘op de zondag daarna’ (d.w.z. de zondag na zijn dood en begrafenis). Daarmee is meteen ook een verband gelegd met de viering van de zondag als de ‘dag van de Heer’.
  • Het is belangrijk onderscheid te maken tussen Jezus' opwekking en zijn verrijzenis. Het geloof van christenen dat Jezus uit zijn graf verrezen is, houdt niet in, dat hij uit zichzelf weer levend geworden was. Jezus kon verrijzen doordat hij door God uit de dood was opgewekt. Om misverstand daarover te voorkomen is het goed in de belijdenis niet - zoals in de traditionele geloofsbelijdenissen - alleen de verrijzenis te vermelden, maar ook de opwekking die daaraan voorafgegaan is.
  • De belijdenis van de tenhemelopneming, verheerlijking en terugkomst van Jezus komt inhoudelijk min of meer overeen met de uitspraken daarover in de traditionele geloofsbelijdenissen. De wijzigingen in de formulering dienen vooral ter verduidelijking. Het woord ‘opnemen’ drukt beter dan het traditionele ‘opvaren’ uit, dat het bij te tenhemelopneming niet ging om een daad van Jezus zelf, maar om iets dat hij onderging (vgl. Handelingen 1:9-11). Het woord ‘hemel’, dat tegenwoordig bij velen het misverstand oproept, dat het gaat om een plaats ‘ergens hierboven’, is verduidelijkt als ‘de troon van God’. De traditionele metafoor dat Jezus ‘zit aan de rechterhand van God’, wordt vaak niet meer begrepen en is daarom ter verduidelijking vervangen door de belijdenis dat hij goddelijke heerlijkheid en macht ontvangen heeft. Door aan de belijdenis van Jezus' terugkomst en het eindgericht toe te voegen, dat Jezus dat gericht namens God zal voltrekken, wordt verduidelijkt, dat het daarin gaat om het eindgericht van God, waarvan sprake is in de vijfde en de elfde geloofsuitspraak. Christenen geloven, dat Jezus na zijn opwekking, verrijzenis en tenhemelopneming de macht gekregen heeft om dat gericht namens God te voltrekken, en zien vol verlangen uit naar zijn terugkomst, waarbij hij al het kwaad dat door toedoen van mensen is aangericht, met volmaakte rechtvaardigheid zal vergelden.

7. Ik geloof dat alle mensen in meerdere of mindere mate van de door God gegeven leefregels afwijken en daardoor van Hem zijn vervreemd, maar dat Jezus hen door zijn leven en sterven volkomen met God heeft verzoend, waardoor zij de mogelijkheid hebben om door geloof en bekering deel te krijgen aan het heil waartoe God hen heeft bestemd.

  • Zoals in de tweede geloofsuitspraak wordt beleden, onderhoudt en regeert God de wereld door zijn Woord en zijn de mensen ertoe geroepen in verantwoordelijkheid overeenkomstig dat Woord te leven. Doordat alle mensen in meerdere of mindere mate van de door God gegeven leefregels afwijken, zijn zij van God vervreemd, waardoor zij Hem niet kennen zoals Hij is en niet weten hoe zij zouden moeten leven. Daarmee is niet gezegd, dat er niets goeds is in wat mensen doen. Het probleem van de mensen is, dat het goede dat zij doen, steeds vermengd is met kwaad. Daardoor voldoen zij niet aan de heiligheid die God van hen eist (vgl. 1 Petrus 1:14-16) en kunnen zij geen deel krijgen aan het heil waartoe Hij hen heeft bestemd: vergeving van zonden, geestelijke rust en een leven in gemeenschap met Hem.
  • Volgens het christelijk geloof is de vervreemding tussen God en mensen, waardoor de mensen niet tot hun bestemming kunnen komen, opgeheven door Jezus Christus. Door in zijn leven en sterven volkomen te voldoen aan de door God geëiste heiligheid in gehoorzaamheid aan zijn wil, heeft Jezus de mensen met God verzoend, waardoor zij, ook al missen zij zelf die heiligheid, toch de mogelijkheid hebben deel te krijgen aan het heil waartoe zij door God zijn bestemd.
  • Onder invloed van latere theologie menen veel gelovigen, dat Jezus de mensen alleen door zijn sterven heeft verzoend. Dat is echter niet het geval. De dood van Jezus was niet een soort zoenoffer waarmee hij de straf van God voor het kwaad eens voor altijd heeft afgekocht. Als dat het geval was geweest, zou van een rechtvaardig eindgericht geen sprake kunnen zijn. Bovendien heeft God zich geopenbaard als een god voor wie gehoorzaamheid belangrijker is dan offers, en heeft Hij mensenoffers altijd streng verboden. Nee, Jezus heeft de mensen niet alleen door zijn sterven verzoend, maar ook door zijn leven in volkomen gehoorzaamheid aan de door God gegeven leefregels en de heiligheid die God van de mensen eist. Dat neemt overigens niet weg, dat het sterven van Jezus voor de verzoening met God van bijzonder belang was. Jezus toonde daarin zijn bereidheid om niet alleen te leven in volkomen gehoorzaamheid en heiligheid, maar zelfs de uiterste consequentie daarvan - de dood aan het kruis - te aanvaarden, als dat voor de vervulling van zijn messiaanse roeping noodzakelijk was. Hij gaf daarmee het ultieme bewijs van de heiligheid, gehoorzaamheid en trouw waarmee hij de mensen met God heeft verzoend.
  • Anders dan veel gelovigen menen, houdt de verzoening door Jezus niet in, dat hun zonden bij voorbaat vergeven zijn en dat zij zonder meer deel zullen krijgen aan het heil. Vergeving van zonden is tijdens ons leven hier en nu alleen mogelijk, als wij berouw hebben, onze schuld belijden, ons daadwerkelijk bekeren en ons er naar vermogen voor inspannen het door ons aangerichte kwaad voor zover mogelijk te herstellen. De verzoening door Jezus houdt niet in, dat wij als gelovigen geen berouw meer behoeven te hebben, geen schuld meer behoeven te belijden, ons niet meer behoeven te bekeren en ons er niet voor behoeven in te spannen het aangerichte kwaad te herstellen. Zij houdt in, dat wij - ook al vertonen wij niet de heiligheid van Jezus - de mogelijkheid hebben om door geloof in Jezus als Messias en Heer en oprechte bekering tot een leven in overeenstemming met de door God gegeven regels deel te krijgen aan het heil waartoe God ons heeft bestemd.

8. Ik geloof dat God door Jezus zijn Koninkrijk op aarde vestigt, waaraan allen deel krijgen die in Jezus als Messias geloven, hem daadwerkelijk als Heer erkennen en zich oprecht bekeren tot een leven in overeenstemming met de door God gegeven regels.

  • Het evangelie van het Koninkrijk van God was het centrale thema van de prediking van Jezus en moet daarom in een evangelische geloofsbelijdenis aan de orde komen. Met het Koninkrijk van God wordt niet een maatschappelijke macht bedoeld, noch een kerk of een gemeenschap van gelovigen. Het is een geestelijke macht, die zichtbaar wordt in de daden van mensen. Jezus vestigt het Koninkrijk van God door middel van het discipelschap van zijn volgelingen en de uitwerking daarvan op het menselijk leven. Dat houdt in, dat het denken, voelen en willen van mensen zodanig wordt vernieuwd, dat hun leven steeds meer de kenmerken gaat vertonen van het leven zoals het door God is bedoeld.
  • Om deel te krijgen aan het Koninkrijk is het voldoende, dat wij geloven in Jezus als Messias, hem daadwerkelijk erkennen als Heer en ons oprecht bekeren tot een leven in overeenstemming met de door God gegeven regels. Zoals in de elfde geloofsuitspraak beleden wordt, zal God ons de zonden die wij dan nog begaan en de schuld die wij door onze daden en nalatigheden op ons laden, in het eindgericht vergeven. Wie echter weigert te geloven dat Jezus de Messias is, hem niet daadwerkelijk als Heer wil erkennen of zich niet oprecht bekeert tot een leven in overeenstemming met de regels van God, krijgt geen deel aan zijn Koninkrijk en zal in het eindgericht voor zijn zonden en schuld worden bestraft. Vandaar de dringende oproep van Jezus: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen!” (Mattheüs 4:17).

9. Ik geloof dat God aan allen die deel hebben aan zijn Koninkrijk, de genade schenkt door de kracht van zijn heilige Geest op de weg van zijn leefregels in gemeenschap met Hem te kunnen leven.

  • Het is passend het begrip ‘genade’ niet zoals in de meeste protestantse theologie te betrekken op de vergeving van zonden, maar op het leven in gemeenschap met God. Het is namelijk niet zo, dat onze zonden door de genade van God onvoorwaardelijk vergeven worden, ook zonder dat wij ons bekeren tot een leven in overeenstemming met de door God gegeven regels en ons ervoor inspannen het door ons aangerichte kwaad te herstellen. De genade van God is geen onvoorwaardelijke vergeving, maar de gave van de heilige Geest en de mogelijkheid om door de kracht van die Geest in gemeenschap met God te leven. De heilige Geest is geen zelfstandige goddelijke persoon, maar de aanwezigheid en kracht van God in de geest van de gelovige. Door de inwoning van zijn Geest stelt God de gelovige in staat, op de weg van zijn regels in gemeenschap met Hem te leven.
  • Het ‘leven door de Geest’ speelt in de evangelische spiritualiteit een belangrijke rol. Anders dan vaak gemeend wordt, komt het leven door de Geest echter niet in de plaats van een leven volgens de door God gegeven regels, maar maakt de Geest het juist mogelijk op de weg van die regels te leven. De Geest geeft gelovigen inzicht om de leefregels van God te ontdekken en op de juiste wijze te verstaan, motiveert hen ertoe in overeenstemming met die regels te leven, en geeft hen de kracht die weg - zij het met alle menselijke beperkingen en tekortkomingen die hen daarin kunnen hinderen - daadwerkelijk te gaan. Daarmee is niet gezegd, dat gelovigen altijd aan Gods leefregels voldoen en leven in gemeenschap met Hem. Zij hebben door de genade van God de mogelijkheid dat te doen - en zijn er ook toe geroepen -, maar het is aan de gelovigen zelf, die mogelijkheid al dan niet te benutten.

10. Ik geloof dat God alle doden bij de terugkomst van Jezus uit de dood zal doen herrijzen.

  • Het behoort niet tot het christelijk geloof, dat gelovigen na hun dood ogenblikkelijk naar de hemel gaan. Het is ook niet zo, dat hun zielen naar de hemel gaan en later, bij de terugkomst van Jezus, weer met hun lichamen verenigd zullen worden. De gedachte van een ‘onsterfelijke ziel’ die na de dood zelfstandig zou voortleven, los van het lichaam, is van heidense oorsprong en past niet in het christelijk geloof. De dood treft de hele mens, zonder onderscheid naar lichaam en ziel. Het leven na de dood wordt dan ook niet gegeven aan zielen, los van hun lichamen, maar aan mensen, die naar lichaam en ziel uit de dood zullen herrijzen als Jezus terugkomt om het eindgericht te voltrekken. Wij mogen van overledenen gerust zeggen, dat zij ‘bij God’ zijn, zolang wij ons daarbij realiseren, dat dit niet letterlijk zo is, maar God hun identiteit als het ware in bewaring houdt tot de dag van hun herrijzenis.
  • Het is van groot belang het geloof in een lichamelijke herrijzenis van de doden uitdrukkelijk te blijven belijden, omdat tegenwoordig vaak gemeend wordt, dat het leven na de dood bestaat uit een voortleven in de herinnering van mensen of in de uitwerking van hun daden. Als die veel gehoorde opvatting juist zou zijn, zou er geen gerechtigheid zijn voor het kwaad dat is aangericht door toedoen van mensen die daar tijdens hun leven nooit genoegdoening voor hebben gegeven. Christenen geloven, dat al het kwaad, ook het kwaad dat is aangericht door degenen die daar tijdens hun leven nooit voor zijn gestraft, uiteindelijk door God vergolden zal worden, als de doden herrezen zullen zijn en alle mensen die ooit geleefd hebben, in het eindgericht berecht zullen worden. Anderzijds zullen allen die Hem tijdens hun leven hebben toebehoord, maar vóór de terugkomst van Jezus overleden zijn, na hun herrijzenis het eeuwige leven ontvangen waarnaar zij tijdens hun leven hadden uitgekeken.

11. Ik geloof dat God de zonden en de schuld van allen die deel gehad hebben aan zijn Koninkrijk of zonder kennis van Jezus bewust of onbewust de intentie hebben gehad om in overeenstemming met de door Hem gegeven regels te leven en die het heil waartoe zij door Hem zijn bestemd niet hebben verworpen, in het eindgericht zal vergeven.

  • Wie deel hebben aan het Koninkrijk van God, ontvangen tijdens hun leven hier en nu vergeving van zonden, als zij berouw hebben, hun schuld belijden, zich daadwerkelijk bekeren en zich er naar vermogen voor inspannen het door hen aangerichte kwaad voor zover mogelijk te herstellen. Er blijven ook bij hen echter altijd zonden over die nog niet vergeven zijn, bijvoorbeeld omdat zij zich er niet van bewust waren of zich er niet daadwerkelijk van bekeerd hebben. Het christelijk geloof houdt in, dat die zonden hun op grond van de verzoening door Jezus in het eindgericht alsnog vergeven zullen worden, mits zij het heil waartoe zij door God zijn bestemd niet hebben verworpen, bijvoorbeeld door te breken met het geloof in Jezus als Messias en Heer of te kiezen voor een leven in ongehoorzaamheid aan de door God gegeven leefregels. Hetzelfde geldt voor de schuld die zij door hun daden en nalatigheden op zich geladen hebben.
  • In de elfde geloofsuitspraak is de belijdenis van de vergeving van zonden en schuld uitgebreid tot mensen die Jezus nooit gekend hebben. Het gaat daarbij niet alleen om de mensen die vóór Jezus geleefd hebben of nooit van hem hebben gehoord, maar ook om degenen die weliswaar van hem gehoord hebben, maar nooit kennis gemaakt hebben met zijn evangelie. Met deze uitbreiding wordt duidelijk gemaakt, dat mensen die buiten hun schuld nooit de kans gehad hebben te geloven in Jezus als Messias en hem te erkennen als Heer, toch het eeuwige leven kunnen ontvangen. Dat geldt echter alleen als zij bewust of onbewust de intentie gehad hebben om in overeenstemming met de leefregels van God te leven. Wie Jezus nooit gekend heeft, zal dus in het eindgericht geoordeeld worden naar zijn levensinstelling. Maar wie Jezus wel gekend heeft of hem had kunnen kennen, maar niet in hem heeft geloofd, hem niet daadwerkelijk als Heer heeft erkend of zich niet oprecht bekeerd heeft tot een leven in overeenstemming met de door God gegeven regels, zal in het eindgericht geen vergeving ontvangen en gestraft worden voor het kwaad dat hij tijdens zijn leven heeft gedaan. Deze boodschap van vergelding ligt evenzeer besloten in de prediking van Jezus als het evangelie van vergeving voor degenen die door geloof en bekering deel gekregen hebben aan het Koninkrijk van God.

12. Ik geloof dat zij allen daarna eeuwig en in volmaakte vrede met en voor God zullen leven op een nieuwe aarde, waar al het lijden en al het kwaad definitief voorbij zullen zijn.

  • Met deze geloofsuitspraak wordt niet alleen beleden, dat er na de herrijzenis van de doden een eeuwig leven is, maar ook, wat het eeuwige leven zal inhouden en wie het zullen ontvangen.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 2 mei 2021