שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

De datum waarop Jezus geboren is

door J.C. Plooy


Inleiding
Het brondocument
Het visioen van Zacharias
De registratie
Quirinius
Herders in het veld
Veiligheid
Samenvatting
Conclusie

Inleiding

Het niet exact vast te stellen, wanneer Jezus geboren is. Daarvoor verschaffen de historische bronnen ons te weinig informatie. Op deze pagina wil ik echter laten zien, dat het op basis van de beschikbare informatie wel mogelijk is met zekerheid vast te stellen in welk jaar van Jezus geboren is, en dat het met een marge van enkele weken zelfs mogelijk is vast te stellen wanneer in dat jaar.

Essentieel is daarbij, dat we niet alleen letten op de informatie die rechtstreeks op Jezus betrekking heeft, maar ook op de informatie die in de bronnen wordt verondersteld met betrekking tot de omstandigheden waaronder hij geboren is. Door deze informatie te combineren met wat we uit andere bronnen - met name de geschriften van de joodse historicus Flavius Josefus - weten over de geschiedenis van het toenmalige Palestina, kunnen andere data worden uitgesloten.

Terug naar begin

De brondocumenten

Er zijn slechts twee documenten die ons rechtstreeks informeren over de geboorte van Jezus: het evangelie van Mattheüs en het evangelie van Lucas. Deze evangeliën hebben de informatie waarschijnlijk ontleend aan de documenten M en L, die op hun beurt waarschijnlijk gebaseerd waren op verklaringen van Jezus' verwanten maar helaas verloren zijn gegaan. De andere evangeliën waarover we beschikken (die van Marcus, Johannes, Thomas, Filippus, Maria Magdalena en Judas) bevatten geen informatie over Jezus' geboorte.

Het evangelie van Mattheüs bevat slechts zeer summiere informatie over de geboorte van Jezus. Volgens Mattheüs 1:18-25 was Jezus' moeder Maria in de tijd dat zij al wel ondertrouwd was met zijn vader Jozef, maar het huwelijk nog niet voltrokken was, zwanger geworden. Toen Jozef dat ontdekt had, wilde hij van Maria scheiden, maar kwam daarvan terug nadat hij in een visioen een engel had gezien, die hem ervan overtuigd had dat het kind van Maria de Messias zou worden. Jozef trouwde alsnog met Maria en gaf het kind, toen het geboren was, de naam Jezus.

Hoewel deze beschrijving nuttige aanvullende informatie bevat bij de informatie van het evangelie van Lucas over de voorgeschiedenis van Jezus' geboorte en de omstandigheden waaronder hij geboren is, bevat zij bijna niets aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, wanneer hij geboren is. De enige relevante informatie die wij in het evangelie van Mattheüs vinden is, dat Jozef kort nadat hij in de gaten had gekregen dat Maria zwanger was, met haar is getrouwd (Mattheüs 1:18, 24). Mattheüs vermeldt geen bijzonderheden waaruit we kunnen afleiden, wanneer dat gebeurd is.

Velen denken dat dit anders is met Mattheüs 2. Zij wijzen erop, dat het verhaal van de wijzen uit het oosten uitdrukkelijk melding maakt van Herodes de Grote, die op het moment van Jezus' geboorte nog in leven geweest zou moeten zijn. Omdat Herodes eind maart van het jaar 4 v.Chr. overleden is, leiden zij daaruit af, dat Jezus uiterlijk in het begin van dat jaar, maar waarschijnlijk al één of twee jaar eerder, geboren is. Deze redenering is echter gebaseerd op de onjuiste veronderstelling, dat het verhaal van de wijzen een beschrijving is van historische werkelijkheid. Zoals ik elders heb aangetoond, is het verhaal een legende [1]. Dit impliceert dat uit het verhaal geen conclusies getrokken kunnen worden over de geboorte van Jezus als historisch feit, dus ook niet met betrekking tot de datum waarop hij geboren is. Of Jezus al dan niet tijdens het leven van Herodes de Grote geboren is, kan alleen aan de hand van andere informatie worden vastgesteld.

Het evangelie van Mattheüs bevat dus bijna geen relevante informatie over de datum waarop Jezus geboren is. De geboorte van Jezus zal dan ook vrijwel uitsluitend moeten worden gedateeerd op basis van één document: het evangelie van Lucas.

Terug naar begin

Het visioen van Zacharias

Het eerste aanknopingspunt voor de datering van de geboorte van Jezus is, dat hij geboren is ongeveer 16 maanden nadat de priester Zacharias in een visioen te horen gekregen had, dat hij een zoon zou krijgen, het kind dat later bekend zou worden als ‘Johannes de Doper’.

Het visioen is beschreven in Lucas 1:5-23. Zoals blijkt uit de verzen 5-9, vond het visioen plaats ‘in de dagen van Herodes, de koning van Judea’, in de week waarin de priesterafdeling van Abia aan de beurt was om dienst te doen in de tempel van Jeruzalem. Deze informatie stelt ons in staat vast te stellen, op welk moment Zacharias zijn visioen uiterlijk gekregen kan hebben en in welke maanden van het jaar hij het gekregen kan hebben.

Uit het feit dat het visioen plaatsvond ‘in de dagen van Herodes, de koning van Judea’, kan worden afgeleid, dat Zacharias het visioen niet later gekregen kan hebben in maart van het jaar 4 v.Chr. Met de genoemde Herodes kan namelijk geen ander bedoeld zijn dan Herodes de Grote [2], die eind maart van dat jaar overleden is.

Uit het feit dat het visioen plaatsvond op een moment waarin de priesterafdeling van Abia in de tempel dienst deed, kan worden afgeleid, dat Zacharias het visioen gekregen moet hebben in de maand mei of in de maand november. De afdeling van Abia was namelijk de achtste afdeling (1 Kronieken 24:1-19), en die afdeling deed in het voorjaar dienst in laatste week van de maand ’Ijjār of de eerste week van de maand Siwān, en in het najaar in de eerste week van de maand Kislēw [3]. Die weken vielen respectievelijk in de maand mei en in de maand november. Samen met het gegeven dat Zacharias zijn visioen nog tijdens het leven van Herodes de Grote gekregen heeft, betekent dit dat hij het visioen niet later gekregen kan hebben dan in november van het jaar 5 v.Chr.

Dat Jezus ongeveer 16 maanden na het visioen van Zacharias geboren is, volgt uit de chronologie van de gebeurtenissen die erop volgden.

In Lucas 1:24 wordt vermeld, dat Elisabeth, de vrouw van Zacharias, zwanger werd. Er staat niet bij wanneer, maar het is waarschijnlijk enkele weken na het visioen gebeurd [4]. Nadat zij zwanger bleek te zijn, ging Elisabeth vijf maanden in retraite (Lucas 1:24-25). In de zesde maand - dus toen de vijf maanden van Elisabeths retraite verstreken waren - kreeg een meisje in Nazareth, Maria, een visioen waarin zij te horen kreeg, dat zij zwanger zou worden van een zoon: Jezus (Lucas 1:26-38). Toen Maria inderdaad zwanger bleek te zijn, trad Jozef - met wie zij ten tijde van haar visioen al ondertrouwd was - zo snel mogelijk met haar in het huwelijk [5]. Kort daarna vertrok Maria naar Zacharias en Elisabeth, waar zij ongeveer drie maanden bleef (Lucas 1:39-40, 56). Vervolgens keerde zij, kennelijk enkele weken voordat Elisabeth was uitgerekend [6], weer naar Nazareth terug (Lucas 1:56).

Uit deze informatie is af te leiden, hoeveel tijd verlopen is tussen het visioen van Zacharias en de geboorte van Jezus. Maria moet haar visioen ongeveer 7 maanden na dat van Zacharias gekregen hebben. Veel eerder is niet mogelijk, omdat de retraite van Elisabeth pas was ingegaan toen Elisabeth gemerkt had dat zij zwanger was, en de retraite vervolgens vijf maanden geduurd had. Veel later is ook niet mogelijk, omdat er dan onvoldoende tijd geweest zou zijn voor het huwelijk met Jozef en het verblijf bij Zacharias en Elisabeth voordat Johannes de Doper geboren werd. Tellen we bij deze 7 maanden tussen beide visioenen ongeveer 9 maanden op voor de zwangerschap van Maria, dan volgt daaruit dat Jezus ongeveer 16 maanden na het visioen van Zacharias geboren is.

Terug naar begin

De registratie

Een tweede aanknopingspunt is, dat Jezus in Bethlehem geboren is kort nadat zijn ouders, Jozef en Maria, daar naartoe gegaan waren om zich voor de heffing van de romeinse belastingen te laten registreren. Op grond van de bijzonderheden die het evangelie van Lucas erover vermeldt, kan worden vastgesteld dat de registratie niet eerder kan hebben plaatsgevonden dan in april van het jaar 4 v.Chr.

Het tijdstip waarop de registratie op zijn vroegst kan hebben plaatsgevonden, hangt samen met de fiscale autonomie van Herodes de Grote. Herodes was als vazalvorst weliswaar ondergeschikt aan de keizer in Rome en de romeinse goeverneur van Syrië, maar deze ondergeschiktheid betrof met name de buitenlandse politiek, de verdediging van de grenzen van het romeinse rijk, de bescherming van de belangen van Rome en de troonsopvolging. In binnenlandse aangelegenheden, zoals de handhaving van de openbare orde en de heffing van belastingen, was Herodes vrijwel autonoom. Hij was weliswaar verplicht een jaarlijkse tribuut aan Rome te betalen, maar kon naar eigen goeddunken bepalen op welke wijze hij die tribuut financierde. Er was gedurende de regering van Herodes dan ook geen sprake van, dat de burgers van zijn rijk rechtstreeks belasting moesten betalen aan de Romeinen. De burgers waren alleen belasting verschuldigd aan Herodes. Ook de wijze waarop belasting geheven werd, werd autonoom door Herodes bepaald.

Tegen deze achtergrond valt ogenblikkelijk op, dat de registratie die de aanleiding was voor de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem, volgens Lucas 2:1 plaatsvond op grond van een decreet van keizer Augustus. Dit impliceert namelijk, dat de keizer de fiscale autonomie van Herodes had opgeheven. De registratie moet hebben plaatsgevonden om een nieuwe belasting te kunnen heffen - waarschijnlijk een hoofdelijke belasting, mogelijk in combinatie met een belasting op onroerende bezittingen [7]. Dat het om een nieuwe belasting ging, wordt bevestigd door de mededeling in Lucas 2:2, dat het de eerste keer was dat de registratie werd uitgevoerd [8]. Het feit dat de registratieplicht werd opgelegd door de keizer, betekent dat de nieuwe belasting door de keizer werd ingevoerd. Dat was regelrecht in strijd met het alleenrecht van Herodes om nieuwe belastingen in te voeren. Door een nieuwe belasting in te voeren en de burgers in verband daarmee te verplichten zich te laten registreren, handelde de keizer derhalve in strijd met de fiscale autonomie van Herodes, hetgeen niets minder betekent dan dat die autonomie werd opgeheven.

Het is onmogelijk dat de keizer dit tijdens het leven van Herodes gedaan zou hebben, omdat het dan in buitenbijbelse bronnen sporen nagelaten zou moeten hebben. Augustus heeft de autonomie van Herodes in binnenlandse aangelegenheden altijd gerespecteerd. Als hij de fiscale autonomie van Herodes tijdens diens leven zou hebben opgeheven, zou dat zeker een conflict met Herodes hebben veroorzaakt. Herodes zou er op zijn minst scherp tegen hebben geprotesteerd. Daarvan is echter in de bronnen geen spoor te vinden. Augustus had ook geen enkele reden om de verhouding met Herodes op scherp te stellen door hem zijn fiscale autonomie te ontnemen. Hij had er juist alle belang bij, zich van de trouw van deze invloedrijke vazal aan de grens van zijn rijk te verzekeren. Op grond van deze argumenten kan worden uitgesloten, dat hij de fiscale autonomie al tijdens het leven van Herodes heeft opgeheven.

Hierbij kan nog worden opgemerkt, dat de omstandigheden na de dood van Herodes het aannemelijk maken dat de fiscale autonomie in die tijd beëindigd is. Ten eerste werd de relatieve zelfstandigheid die het joodse gebied ten tijde van Herodes had gehad, na diens dood opgeheven. Herodes' opvolgers waren ook in binnenlandse aangelegenheden niet autonoom, maar onderworpen aan het gezag van de goeverneur van Syrië, en vanaf de dood van Herodes werd het gebied bezet door romeinse troepen. Ten tweede zijn na de dood van Herodes opstanden uitgebroken, die onmiddellijk hard door de Romeinen zijn neergeslagen. Dit heeft het gezag van Herodes' opvolgers verzwakt en de macht van de Romeinen versterkt. Ten derde had Augustus sowieso sterke twijfels, of Herodes' zoons wel dezelfde bekwaamheid als hun vader hadden om het gebied te besturen. Deze omstandigheden maken het aannemelijk, dat de keizer de fiscale autonomie die het gebied onder Herodes bezeten had, na diens dood heeft opgeheven en stappen heeft ondernomen om het gebied niet alleen bestuurlijk, maar ook fiscaal te integreren in het stelsel dat elders in de provincie Syrië al van toepassing was.

Dat de gebeurtenissen in Lucas 2 pas na de dood van Herodes hebben plaatsgevonden, wordt bevestigd door een belangrijke tegenstelling tussen Lucas 1:5 en Lucas 2:1. Terwijl in Lucas 1:5 uitdrukkelijk werd gesproken over Herodes en gezwegen over Augustus, wordt in Lucas 2:1 uitdrukkelijk gesproken over Augustus en gezwegen over Herodes. Die tegenstelling kan niet worden verklaard door aan te nemen, dat de lokale joodse vorst er voor Lucas minder toe deed dan de keizer in Rome. Augustus was immers ook in Lucas 1:5 al keizer van Rome. Bovendien komt een zoon van Herodes de Grote, Herodes Antipas, verderop in het evangelie diverse malen ter sprake, terwijl hij een lagere status had dan zijn vader. De tegenstelling tussen Lucas 1:5 en Lucas 2:1 is het gevolg van een verandering in omstandigheden. Er was in Lucas 2 geen ‘koning van Judea’ meer. Herodes was verleden tijd.

Terug naar begin

Quirinius

Een derde aanknopingspunt lijkt te zijn, dat de registratie die de aanleiding was voor de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem, volgens Lucas 2:2 plaatsvond in de tijd toen Quirinius goeverneur van Syrië was. De vermelding van Quirinius moet echter om de volgende redenen op een vergissing berusten.

Ten eerste heeft Zacharias zijn visioen volgens Lucas 1 gekregen in de tijd van Herodes de Grote. Zoals we hebben gezien, kan de geboorte van Jezus op grond van de beschrijving van de andere gebeurtenissen in Lucas 1 niet later worden gedateerd dan ongeveer 16 maanden daarna. Quirinius werd echter pas in het jaar 6 n.Chr. goeverneur van Syrië, meer dan negen jaar na de dood van Herodes. De mededeling over Quirinius in Lucas 2:2 is dus in tegenspraak met Lucas 1 [9].

Ten tweede heeft Quirinius wel een registratie laten uitvoeren, maar alleen in Judea, Samaria en Idumea. Andere gebieden, zoals Galilea, waar Jozef en Maria woonden, vielen er niet onder [10]. Er was bij de registratie onder Quirinius dus zeker geen sprake van een registratie van ‘de hele wereld’. Daarmee is de mededeling over Quirinius in Lucas 2:2 ook in tegenspraak met Lucas 2:1.

De vergissing van de evangelist kan op verschillende manieren worden verklaard. Het zou kunnen zijn, dat Lucas gebruik gemaakt heeft van een bron die niet goed op de hoogte was van het feit, dat de registratie van Jozef en Maria niet plaatsvond in het kader van de beruchte census ten tijde van Quirinius, maar negen jaar eerder. Het is ook mogelijk, dat Lucas de naam van P. Quinctilius Varus, die in 4 v.Chr. goeverneur van Syrië was, heeft verward met die van de veel bekendere Quirinius [11]. Hoe dit ook zij, de vermelding van Quirinius kan niet juist zijn en voegt dan ook geen informatie toe die van nut zou kunnen zijn voor de datering van de geboorte van Jezus [12].

Terug naar begin

Herders in het veld

Een vierde aanknopingspunt is, dat Jezus blijkens Lucas 2:8 geboren is in een tijd dat herders met hun kudden 's nachts in het open veld verbleven. Deze omstandigheid wijst erop, dat het in elk geval geen winter geweest kan zijn. Omdat het in de winter 's nachts te koud was om in het open veld te verblijven, brachten de herders hun kudden in de winter naar de stal. Uit het verblijf van de herders in het open veld zou dan ook afgeleid kunnen worden, dat Jezus binnen het kalenderjaar niet eerder geboren kan zijn dan in de maand maart en niet later dan in de maand november [13].

Terug naar begin

Veiligheid

Een laatste aanknopingspunt, ten slotte, is te vinden in de joodse opstanden tegen de herodiaanse dynastie die na de dood van Herodes de Grote uitbraken, en de reactie van de Romeinen daarop.

Deze gebeurtenissen vonden plaats in de periode van april tot en met juli van het jaar 4 v.Chr. en veroorzaakten met name in Judea, maar ook in Galilea en Perea grote onveiligheid. Het begon in april met een oproer tegen Herodes' zoon Archelaüs, gevolgd door ernstige ongeregeldheden in mei, die met een snelle gewelddadige actie door de romeinse goeverneur van Syrië, Varus, in de kiem werden gesmoord. Toen Varus weer vertrokken was, sloeg de vlam weer in de pan door enige onbezonnen acties van een romeinse procurator die belast was met de afwikkeling van de nalatenschap van Herodes. Begin juni brak in Jeruzalem een opstand uit, gevolgd door opstanden in Galilea, Perea en Idumea. Varus keerde onmiddellijk met een sterk romeins leger terug en sloeg de opstanden in anderhalve maand met veel bloedvergieten neer. Alleen al in Judea werden duizenden opstandelingen demonstratief gekruisigd om verdere rebellie tegen te gaan. Eind juli was de orde hersteld en konden Herodes' zoons, die tot dan toe in Rome hadden verbleven om de opvolging van Herodes te regelen, de macht van Varus overnemen [14].

Het is duidelijk dat de gebeurtenissen die in Lucas 1 en 2 beschreven zijn, onmogelijk tegen deze historische achtergrond geplaatst kunnen worden. Zo wordt in Lucas 1:39 en 56 vermeld, dat Maria zelfstandig reizen heeft gemaakt van Galilea naar Judea en terug. Deze informatie impliceert, dat het ook voor een meisje alleen veilig genoeg geweest moet zijn om zulke reizen te maken. Ook in de beschrijving van de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem en de gebeurtenissen rond de geboorte van Jezus (Lucas 2:1-39) is geen spoor te vinden van ongeregeldheden of gevaar. Hieruit kan worden afgeleid, dat de reizen en gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in een periode waarin nog geen opstanden waren uitgebroken of in een periode waarin de orde was hersteld, dus vóór april van het jaar 4 v.Chr. of na juli van dat jaar.

Verder kan uit de historische context worden afgeleid, dat de opheffing van de fiscale autonomie die Herodes bezeten had, waarschijnlijk verband gehouden heeft met de opstanden in de zomer van het jaar 4 v.Chr. Als gevolg van deze opstanden had Augustus er weinig vertrouwen in, dat Herodes' zoons het land even goed zouden kunnen besturen als hun vader had gedaan. Het is aannemelijk dat hij het gebied om die reden zijn relatieve zelfstandigheid heeft ontnomen en bevolen heeft het te onderwerpen aan het romeinse belastingsysteem. Vóór de opstanden had hij daar in elk geval geen reden toe. Dit betekent dat de opheffing van de fiscale autonomie waarschijnlijk deel heeft uitgemaakt van de beslissingen die Augustus in juli van het jaar 4 v.Chr. genomen heeft in het kader van de opvolging van Herodes [15], en dat de organisatie van de registratie op zijn vroegst gedateerd kan worden in de maand augustus van dat jaar, toen de orde in het land voldoende was hersteld om zo'n omvangrijke operatie uit te voeren. Aangezien het vervolgens nog enkele weken geduurd moet hebben voordat de registratie daadwerkelijk plaatsvond, kan de registratie zelf niet vroeger worden gedateerd dan in september van het jaar 4 v.Chr.

Terug naar begin

Samenvatting

Als we alle gegevens bij elkaar voegen, kunnen we de volgende conclusies trekken.

1. Zacharias kan zijn visioen niet eerder gekregen hebben dan in april van het jaar 5 v.Chr. en niet later dan in maart van het jaar 4 v.Chr. Als het eerder was, zou Jezus namelijk al vóór september van het jaar 4 v.Chr. geboren moeten zijn, hetgeen in strijd zou zijn met het feit dat de registratie die de aanleiding was voor de reis van Jozef en Maria naar Bethlehem, op zijn vroegst in die maand plaatsgevonden kan hebben. En Zacharias kan het visioen ook niet later gekregen hebben, omdat het dan niet gebeurd zou kunnen zijn ten tijde van Herodes de Grote.

2. Zoals we gezien hebben, heeft Zacharias zijn visioen gekregen in de maand mei of in de maand november. Hij kan zijn visioen echter niet gekregen hebben in november van het jaar 5 v.Chr., omdat Maria haar reis naar Judea in dat geval gemaakt zou moeten hebben in de vroege zomer van het jaar 4 v.Chr., hetgeen in strijd zou zijn met het feit dat de reis naar Judea niet kan hebben plaatsgevonden in de periode van april tot en met juli van het jaar 4 v.Chr.

3. Zacharias moet zijn visioen dus gekregen hebben in mei van het jaar 5 v.Chr.

4. Hieruit kan worden afgeleid, dat het visioen van Maria op zijn vroegst te dateren is in november van het jaar 5 v.Chr. en op zijn laatst in januari van het jaar 4 v.Chr. Eerder of later is niet mogelijk, omdat Maria haar visioen ongeveer 7 maanden na dat van Zacharias gekregen heeft.

5. Maria kan haar visioen niet al in november van het jaar 5 v.Chr. gekregen hebben, omdat Jezus dan al in augustus van het jaar 4 v.Chr. geboren zou zijn, hetgeen in strijd is met het feit dat de registratie die voor Jozef en Maria de aanleiding was voor hun reis naar Bethlehem, op zijn vroegst kan hebben plaatsgevonden in september van het jaar 4 v.Chr.

6. Anderzijds kan Maria haar visioen ook niet pas in januari van het jaar 4 v.Chr. gekregen hebben, omdat er dan onvoldoende tijd geweest kon zijn voor het huwelijk met Jozef en haar verblijf bij Zacharias en Elisabeth voordat Johannes de Doper geboren werd.

7. Maria moet haar visioen dus gekregen hebben in december van het jaar 5 v.Chr.

8. Jezus moet dus geboren zijn in september van het jaar 4 v.Chr.

9. Deze datering klopt met het gegeven, dat Jezus niet eerder geboren kan zijn dan in de maand maart en niet later dan in de maand november.

Samenvattend kunnen de gebeurtenissen als volgt worden gedateerd:

Datering Gebeurtenis Brontekst
Mei 5 v.Chr. Visioen van Zacharias Lucas 1:5-23
Juni/juli 5 v.Chr. Begin zwangerschap van Elisabeth Lucas 1:24
Juli-november 5 v.Chr. Elisabeth in retraite Lucas 1:24-25
December 5 v.Chr. Visioen van Maria Lucas 1:26-38
Januari 4 v.Chr. Huwelijk van Jozef en Maria Mattheüs 1:24
Januari 4 v.Chr. Reis van Maria naar Judea Lucas 1:39-55
Maart 4 v.Chr. Terugkeer van Maria naar Nazareth Lucas 1:56
Maart/april 4 v.Chr. Geboorte van Johannes de Doper Lucas 1:57-79
Juli/augustus 4 v.Chr. Decreet van keizer Augustus Lucas 2:1-2
September 4 v.Chr. Registratie Lucas 2:3-5
September 4 v.Chr. Geboorte van Jezus Lucas 2:6-7

Terug naar begin

Conclusie

Jezus is geboren in september van het jaar 4 v.Chr.[16].

Terug naar begin


1. Zie De legende van de wijzen uit het oosten.
2. Er waren destijds meerdere heersers die ‘Herodes’ genoemd werden en er aanspraak op maakten koning te zijn. Zo worden in de Bijbel behalve Herodes de Grote ook Herodes Antipas en Herodes Agrippa ‘koning Herodes’ genoemd (zie bijvoorbeeld Marcus 6:14 en Handelingen 12:1). Aangezien Johannes de Doper echter al in het jaar 29 grote invloed had als profeet (Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 18.5.2), moet hij uiterlijk in het eerste decennium van onze jaartelling geboren zijn. Dat sluit Herodes Agrippa uit. Ook Herodes Antipas kan niet bedoeld zijn, want hij heeft nooit over Judea geregeerd. Een zoon van Herodes de Grote, Archelaüs, heeft van 4 v.Chr. tot 6 n.Chr. over Judea geregeerd, maar hij was slechts etnarch, geen koning. Lucas was heel nauwkeurig in zijn woordkeus en noemde iemand alleen ‘koning’ als hij die titel ook werkelijk had. Als hij Archelaüs had bedoeld, zou hij het zeker niet over ‘de koning van Judea’ hebben gehad, maar over ‘de etnarch van Judea’ (vgl. Lucas 3:1 en 9:7). Archelaüs werd overigens voor zover bekend nooit ‘Herodes’ genoemd. Op grond van deze argumenten lijdt het geen twijfel dat in Lucas 1:5 alleen Herodes de Grote bedoeld kan zijn.
3. De priesters waren ingedeeld in 24 afdelingen, die elk twee maal per jaar gedurende een week dienst moesten doen in de tempel (Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 7.14.7). Behalve in de week waarvoor zij specifiek waren aangewezen, deden alle afdelingen ook dienst gedurende de drie grote pelgrimsfeesten: het Pesachfeest, het Wekenfeest en het Loofhuttenfeest). Uit deze gegevens kan worden afgeleid dat de achtste afdeling (die van Abia), afhankelijk van de weken waarin het Pesachfeest en het Wekenfeest vielen, in het voorjaar dienst deed in de 9e of de 10e week van het liturgische jaar (dat is de laatste week van ’Ijjār of de eerste week van Siwān), en in het najaar in de 35e week (dat is de eerste week van Kislēw).
4. De uitdrukking “na die dagen” wijst erop, dat enige tijd verlopen is tussen het visioen en het moment dat Elisabeth zwanger werd. Die tijd zal echter niet meer geweest zijn dan een maand, omdat de zwangerschap in dat geval niet ervaren zou zijn als vervulling van het visioen.
5. Dat Maria kort na het begin van haar zwangerschap met Jozef gehuwd is, blijkt uit Mattheüs 1:18-25. Vers 19 vermeldt dat Jozef in stilte van Maria wilde scheiden om te voorkomen dat zij in opspraak zou raken wegens buitenechtelijke geslachtsgemeenschap. Om diezelfde reden moet hij zo snel mogelijk met Maria zijn gehuwd toen hij op grond van een visioen besloten had van de scheiding af te zien. Dat wordt bevestigd door de formulering van vers 24 en 25, waaruit blijkt dat Jozef al geruime tijd voor de geboorte van Jezus met Maria gehuwd was. Dit is geloofwaardiger dan Lucas 2:5, dat stelt dat Maria ten tijde van Jezus' geboorte nog altijd niet meer dan Jozefs ‘ondertrouwde’ vrouw was. Dat Jozef al voor de geboorte van Jezus met Maria gehuwd was, wordt ook erkend door J. van Bruggen, Christus op aarde, Kampen, 1994 (3e druk), p. 97.
6. Dat Maria naar Nazareth teruggekeerd is vóórdat Elisabeth bevallen was, blijkt uit Lucas 1:56-57. De datering in vers 57 “toen voor Elisabeth de tijd vervuld was, dat zij baren zou” impliceert in de context, dat de bevalling nog niet aanstaande was toe Maria naar Nazareth terugkeerde. Bovendien zou Maria, als zij kort voor de bevalling nog bij Elisabeth was geweest, zeker gebleven zijn om de bevalling mee te maken. Het is dan ook aannemelijk dat Maria niet kort voor de bevalling naar Nazareth teruggekeerd is, maar enkele weken daarvóór.
7. Dat de nieuwe belasting mogelijk mede geheven werd op onroerende bezittingen, zou afgeleid kunnen worden uit de verplichting voor Jozef en Maria om zich in Bethlehem te laten registreren, hoewel zij in Nazareth woonden. Voor een hoofdelijke belasting zou registratie in de woonplaats of de dichtstbij gelegen stad voldoende zijn geweest. Mogelijk hadden Jozef en Maria echter onroerende bezittingen in Bethlehem en moesten zij zich daarom in Bethlehem laten registreren.
8. Als de belasting al bestond, zouden de belastingplichtigen immers al eerder geregistreerd moeten zijn. Uit het feit dat het de eerste keer was dat de registratie werd uitgevoerd, volgt dat de bestaande registraties niet voldoende waren. Dat impliceert dat er een nieuwe belasting werd ingevoerd, die een nieuwe registratieplicht noodzakelijk maakte.
9. J. van Bruggen, Lucas, Kampen, 1996 (2e druk), pp. 70-73, probeert de tegenspraak weg te nemen door Lucas 2:2 zo te interpreteren, dat de registratie eerder plaatsvond dan die ten tijde van Quirinius. Die interpretatie kan echter niet juist zijn. Het laatste deel van de zin is namelijk grammaticaal een genitivus absolutus, een bijwoordelijke bepaling los van het woord prōtè (‘eerst’). Als Lucas, zoals Van Bruggen meent, een nevenschikking (‘eerder dan …’) had bedoeld, zou hij geen genitivus absolutus hebben gebruikt.
10. Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 18.1.1.
11. Zoals blijkt uit Handelingen 5:37, waar het gaat over de registratie door Quirinius, was die registratie in het collectieve geheugen van de joden blijven hangen als ‘de registratie’, waarschijnlijk vanwege het gewelddadige verzet dat deze registratie had opgeroepen. Op grond daarvan is het aannemelijk dat het verschijnsel ‘registratie’ algemeen werd geassocieerd met Quirinius als ‘de man van de registratie’.
12. De theoretische mogelijkheid dat de mededeling over Quirinius juist is en Lucas 1 dus onjuist, moet om de volgende redenen worden verworpen. Ten eerste vormt Lucas 1 een samenhangend corpus van informatie over de geboorten van Johannes de Doper en Jezus dat voor de lezers van het evangelie van groot belang was en waarvan dan ook mag worden aangenomen, dat het ontleend is aan een goed geïnformeerde bron, die zelf waar mogelijk nog eens door de evangelist zelf is geverifieerd (vgl. Lucas 1:1-4). De mededeling over Quirinius daarentegen was voor de lezers nauwelijks van belang. Het is dan ook aannemelijk dat Lucas de juistheid van die mededeling niet met dezelfde nauwkeurigheid heeft geverifieerd als de informatie over de geboorten van Johannes en Jezus. Ten tweede is het onwaarschijnlijk, dat Lucas wel nauwkeurig geweest zou zijn over de persoon onder wiens bewind de registratie had plaatsgevonden die voor Jozef en Maria de aanleiding was om naar Bethlehem te gaan, maar niet over de gebeurtenissen die daaraan voorafgegaan waren en die zowel voor Lucas zelf als voor zijn lezers veel belangrijker waren. Ten derde heeft Lucas de mededeling over Quirinius vermoedelijk niet aan zijn bron (L) ontleend, maar zelf zonder nader onderzoek aan zijn verhaal toegevoegd. Een aanwijzing daarvoor is, dat Lucas 2:3 naadloos aansluit op het eerste vers. Dit wijst erop dat vers 2 geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke bron, maar door de evangelist als redactor is toegevoegd, mogelijk om de historische setting te versterken.
13. Aldus terecht ook J. van Bruggen, Lucas, Kampen, 1996 (2e druk), p. 76.
14. Flavius Josefus, Bellum Judaicum, 2.1.1-2.5.3, Antiquitates Judaicae, 17.9.1-17.10.10.
15. De beslissingen van Augustus zijn door Flavius Josefus beschreven in Bellum Judaicum, 2.6.3, en Antiquitates Judaicae, 17.11.4-17.11.5. Hoewel Josefus niet uitdrukkelijk vermeldt dat de fiscale autonomie werd opgeheven, ligt dat wel voor de hand. Het kan bovendien worden afgeleid uit het feit dat aan elk van Herodes' opvolgers bepaalde belastinginkomsten werden toegewezen. Dat zou immers niet nodig geweest zijn, als zij zelfstandig konden bepalen welke belastingen geheven zouden worden. De regeling lijkt zo geweest te zijn, dat Herodes' opvolgers niet meer zelf konden bepalen welke belastingen zij zouden heffen, maar recht kregen op de opbrengst van de belastingen die door de Romeinen geheven zouden worden. Dit wordt bevestigd door het feit dat de keizer op eigen gezag aan de Samaritanen een belastingvermindering verleende. Dat de keizer het recht op belastingheffing naar zich toe trok, past goed in de tendens om het romeinse gezag in Palestina te versterken - een tendens die er al binnen tien jaar toe zou leiden dat Judea helemaal onder romeins bestuur werd geplaatst.
16. Sommigen menen, dat de geboorte van Jezus niet zo nauwkeurig in de maand september gedateerd kan worden, omdat we niet met zekerheid kunnen vaststellen in welke weken het de beurt van de priesterafdeling van Abia was om in de tempel dienst te doen. De datering in de maand september is echter niet afhankelijk van het gegeven met betrekking tot de afdeling van Abia. Ook als we dat gegeven negeren, blijft de conclusie staan dat Jezus niet eerder of later dan in september van het jaar 4 v.Chr. geboren kan zijn. Eerder is namelijk al niet mogelijk omdat de registratie niet eerder kan worden gedateerd dan in september van het jaar 4 v.Chr., en later niet omdat de reizen van Maria naar Judea en terug niet kunnen hebben plaatsgevonden in de periode van april tot en met juli 4 v.Chr. Kortom, het gegeven met betrekking tot de afdeling van Abia is niet de enige reden waarom de geboorte van Jezus gedateerd moet worden in september. Die datering wordt er echter wel in belangrijke mate door ondersteund.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 1 mei 2017