שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

De datum waarop Jezus gekruisigd is

door J.C. Plooy


Inleiding
Vrijdag
Pesach
Het begin van de maand Nisan
De doop van Jezus
Conclusie

Inleiding

Een van de best gedocumenteerde historische feiten over Jezus is, dat hij gekruisigd is in de tijd dat Judea bestuurd werd door de Romeinse prefect Pontius Pilatus. Dit feit wordt niet alleen vermeld in de Bijbel, maar ook door de historici Flavius Josefus en Tacitus. Omdat de prefectuur van Pilatus duurde van 26 tot 36 n.Chr., staat het vast dat de kruisiging van Jezus niet eerder plaatsgevonden kan hebben dan in het jaar 26 en niet later dan in het jaar 36. De Bijbel verschaft ons echter informatie die ons in staat stelt de kruisiging van Jezus nauwkeuriger te dateren. Dat is niet alleen van belang met het oog op de chronologie van Jezus' leven, maar ook voor ons begrip van het vroege christendom.

Terug naar begin

Vrijdag

Een eerste aanknopingspunt voor de precieze datering van de kruisiging van Jezus is, dat hij kort voor het aanbreken van de sabbat gestorven is. Zoals blijkt uit Mattheüs 27:45-56, Marcus 15:33-41 en Lucas 23:44-49, is Jezus omstreeks het ‘negende uur’, dat is 3 uur in de middag, gestorven. Vervolgens hebben zijn volgelingen zijn lichaam van het kruis gehaald en het haastig begraven, met de bedoeling het na afloop van de sabbat te balsemen (Marcus 15:42-16:1, Lucas 23:50-24:1). Dat kan alleen verklaard worden, als Jezus kort voor de sabbat gestorven is. Het was gelovige joden destijds streng verboden, op de sabbat werk te verrichten. Daaronder viel ook het balsemen van overledenen. Er was kennelijk tussen het tijdstip waarop Jezus gestorven was en het moment waarop de sabbat zou aanbreken, nog net genoeg tijd om hem van het kruis te halen en te begraven. De balseming moest echter worden uitgesteld tot na de sabbat.

Aangezien de sabbat altijd aanbrak op vrijdagavond bij zonsondergang, staat het op grond van deze gegevens vast, dat Jezus op een vrijdag gekruisigd is. Als er meer tijd gelegen had tussen de kruisiging en het aanbreken van de sabbat, zou er immers geen reden zijn geweest om de balseming tot na de sabbat uit te stellen.

Kanttekeningen

1. Lucas en Johannes vermelden, dat de kruisiging plaatsvond op de dag der ‘voorbereiding’ (Lucas 23:54, Johannes 19:14, 31). Daarmee werd waarschijnlijk de vrijdag bedoeld: de dag waarop men zich voorbereidde op de sabbat. De duidelijke verbinding die in de teksten gelegd wordt tussen voorbereiding en sabbat, wijst daar ook op. Dat het woord ‘voorbereiding’ gebruikt werd als benaming voor de vrijdag, wordt bevestigd door Marcus 15:42, waar het woord wordt verklaard als ‘voorsabbat’. Een probleem bij deze verklaring lijkt te zijn, dat Johannes in 19:14 uitdrukkelijk spreekt van ‘voorbereiding van het Pascha’ [1]. Als ‘dag der voorbereiding’ echter gewoon een joodse benaming voor de vrijdag was, kan de uitdrukking in Johannes 19:14 ook gelezen worden als ‘de vrijdag van Pesach’ [2].

2. In Johannes 19:31 wordt terloops opgemerkt, dat de dag van die sabbat ‘groot’ was. Dat betekent niet, dat het op de avond van de dag waarop Jezus gekruisigd werd, een andere sabbat zou zijn dan de zaterdag. Sommigen menen, dat Johannes in 19:31 niet de zaterdag bedoelde, maar de eerste dag van het Pesachfeest. Er is echter geen enkele aanwijzing, dat de sabbat in het toenmalige jodendom iets anders kon zijn dan een zaterdag. Zo gebruikt de joodse historicus Flavius Josefus, nagenoeg een tijdgenoot van Jezus, het woord ‘sabbat’ in zijn geschriften uitsluitend voor de zaterdag. Ook in de Tenach en de Talmoed worden de joodse feestdagen onderscheiden van de sabbat [3]. De speculatie dat het in Johannes 19:31 zou kunnen gaan om een andere dag dan een zaterdag, is dan ook ongegrond. Johannes gebruikt het woord ‘groot’ in dat vers in de figuurlijke betekenis van ‘belangrijk’. De joodse leiders drongen er bij de Romeinen op aan de gekruisigden niet tot in de avond aan het kruis te laten hangen, omdat dan een belangrijke sabbat zou aanbreken. De sabbat was in hun ogen belangrijk, omdat hij tijdens het Pesachfeest viel. Op dat feest bevonden zich in de stad veel pelgrims, die de orde zouden kunnen verstoren als door de kruisiging de sabbat geschonden zou worden. Daarom was het juist op deze sabbat van groot belang, dat de lichamen van de gekruisigden van het kruis afgenomen zouden zijn.

3. Volgens Marcus zou Jezus voorspeld hebben, dat hij gedood zou worden en ‘na drie dagen’ weer zou opstaan (Marcus 8:31, 9:31, 10:34). De desbetreffende teksten zijn echter zowel door Mattheüs als door Lucas gecorrigeerd: Jezus zou volgens hen voorspeld hebben, dat hij ‘op de derde dag’ zou opstaan. Deze correctie wijst erop, dat Jezus in werkelijkheid niet drie volle dagen in het graf gelegen heeft. Anders zouden Mattheüs en Lucas immers geen reden gehad hebben om Marcus te corrigeren. Het feit dat de wederopstanding van Jezus volgens de evangeliën heeft plaatsgevonden op zondag, dus binnen drie dagen na vrijdag, is dan ook geen reden om de kruisiging niet op een vrijdag te dateren, maar bevestigt die datering juist.

4. De opvatting van sommigen, dat Jezus in Mattheüs 12:40 voorspeld zou hebben, dat hij gedurende drie dagen en drie nachten begraven zou zijn, berust op een onjuiste exegese [4]. Waarschijnlijk bedoelde Jezus in de desbetreffende tekst, dat hij zich, nadat hij het evangelie gedurende drie jaren onder de joden verkondigd zou hebben, tot de heidenen zou richten [5]. Hoe dat ook zij - er is in de evangeliën geen enkele aanwijzing, dat Jezus werkelijk gedurende drie dagen en drie nachten in het graf gelegen heeft.

Terug naar begin

Pesach

Een tweede aanknopingspunt is, dat Jezus bij het begin van het Pesachfeest gekruisigd is. Dit blijkt uit alle evangeliën (zie bijvoorbeeld Mattheüs 26:2-5, Marcus 14:1-2, Lucas 22:1-2, Johannes 12:1 en 18:39). Volgens de joodse wet begon Pesach met het offeren van een lam tussen 3 uur en 5 uur 's middags op de 14e dag van de maand Nisan. Nadat het lam in de tempel geslacht en gebraden was, werd het mee naar huis genomen om het daar aan het begin van de avond, kort na zonsondergang, in huiselijke kring te eten. Aangezien volgens de joodse dagrekening met zonsondergang een nieuwe dag begon, vond het Pesachmaal plaats aan het begin van de 15e dag van de maand. Daarna begon het feest, dat zeven dagen duurde.

De evangelisten Mattheüs, Marcus en Lucas vermelden uitdrukkelijk, dat Jezus in de avond voordat hij gekruisigd werd, met zijn discipelen een Pesachmaal genuttigd heeft (Mattheüs 26:17-19, Marcus 14:12-17, Lucas 22:7-13). Het Pesachmaal zelf wordt niet beschreven. Het moet in elk geval niet worden verward met het ‘laatste avondmaal’, dat Jezus in de avond voor zijn dood met zijn discipelen gegeten heeft en waarop de christelijke traditie het ritueel van de eucharistie heeft gebaseerd. Er wordt in de beschrijving van het laatste avondmaal immers met geen woord gerept over het Pesachlam. De teksten laten er echter geen twijfel over bestaan, dat Jezus en zijn discipelen op diezelfde avond een Pesachmaal gehouden hebben [6]. We mogen dan ook aannemen, dat zij in de middag voorafgaande aan het laatste avondmaal het Pesach-offer hebben gebracht en aan het begin van de avond het Pesachlam gegeten hebben. Waarschijnlijk heeft het laatste avondmaal plaatsgevonden na afloop van het Pesachmaal en bedoelde Jezus in Lucas 22:15 het Pesachmaal dat zij zojuist genuttigd hadden.

Uit deze informatie kunnen we met zekerheid afleiden, dat Jezus gekruisigd is op de dag nadat het Pesach-offer gebracht werd, dus op de 15e dag van de maand Nisan.

Kanttekening

Een probleem van de datering op de 15e dag van de maand is, dat de evangelist Johannes ervan uit lijkt te gaan, dat de kruisiging van Jezus heeft plaatsgevonden op de 14e dag. Volgens Johannes 18:28 zouden de joodse leiders namelijk in de ochtend van de dag waarop Jezus gekruisigd werd, ‘het Pascha’ nog niet gegeten hebben [7]. Het is mogelijk, dat dit niet op het Pesachmaal sloeg, maar op een liturgische maaltijd aan het begin van het Pesachfeest [8]. Erg aannemelijk is dat echter niet. Johannes lijkt de kruisiging dan ook te dateren op de dag waarop het Pesach-offer werd gebracht. Jezus zou dan gestorven zijn, precies op het moment waarop in de tempel de eerste Pesachlammeren geslacht werden, hetgeen Johannes de mogelijkheid bood Jezus aan te duiden als ‘het lam van God’ (Johannes 1:29, 36). Johannes geeft dus een versie van de gebeurtenissen die op het punt van de datering in strijd is met die van de andere evangelisten. Het is dan de vraag, welke versie het meest geloofwaardig is. Mijns inziens is dat de versie van de andere evangelisten, en wel om drie redenen. Ten eerste is het evangelie van Johannes gebaseerd op bronnen die verder van de beschreven feiten afstonden dan die van de andere evangelisten. Dat maakt de kans op vergissingen groter. Ten tweede maakt Johannes in zijn evangelie in het geheel geen melding van het laatste avondmaal, terwijl de andere evangelisten dat uitgebreid beschrijven. Dat de andere evangelisten met betrekking tot het laatste avondmaal geloofwaardig zijn, blijkt uit het feit dat hun beschrijving bevestigd wordt door een onafhankelijke bron: de apostel Paulus (zie 1 Korinthiërs 11:23-25). Dat Johannes er in het geheel niets over vermeldt, maakt het dan ook waarschijnlijk dat hij niet nauwkeurig over de gebeurtenissen op de laatste dag vóór Jezus' dood geïnformeerd was en daardoor niet geweten heeft, dat Jezus op die dag het Pesachmaal genuttigd had. Ten derde kwam het Johannes wegens zijn theologische visie op Jezus als het ‘lam van God’ goed uit, dat hij gestorven zou zijn op het moment waarop het Pesachlam geslacht werd. Ook dat maakt zijn versie minder geloofwaardig dan die van de andere evangelisten.

Terug naar begin

Het begin van de maand Nisan

Uit het feit dat Jezus gekruisigd is op de 15e dag van de maand Nisan en het feit dat dit een vrijdag was, kan worden afgeleid, dat de maand Nisan begonnen was op een donderdag [9]. Het is dus voor de datering van de kruisiging beslissend, in welk jaar de maand Nisan op een donderdag begon. Als we dat hebben vastgesteld, kunnen we op eenvoudige wijze berekenen op welke datum Jezus gekruisigd is.

Het begin van de maand Nisan werd destijds bepaald met behulp van de volgende regels:
1. Elke maand begon op de eerste dag waarop de maan na nieuwe maan weer zichtbaar was. Zodra de maan weer werd waargenomen, werd de dag waarop dit het geval was, beschouwd als de eerste dag van de nieuwe maand.
2. Elke maand duurde nooit langer dan 30 dagen, ongeacht de waarneembaarheid van de maan. Als op de dertigste dag van de maand nog geen nieuwe maan was waargenomen, werd de volgende dag beschouwd als de eerste dag van de nieuwe maand [10].
3. De maand Nisan begon na de nieuwe maan die zich het dichtst bij de lente-equinox bevond. Als dat echter tot gevolg zou hebben, dat op de 14e dag van de maand om 3 uur 's middags de lente-equinox nog niet gepasseerd was, begon de maand Nisan pas na de daaropvolgende nieuwe maan [11].

In de volgende tabel wordt aangegeven, op welke tijdstippen in de jaren 26-36 n.C. de lente-equinox werd gepasseerd, wanneer het nieuwe maan werd en wanneer de maan na nieuwe maan weer zichtbaar werd:

Jaar Lente-equinox [12] Nieuwe maan [13] Zichtbaar worden van de maan [14]
26 zaterdag 23 maart, 0 uur zaterdag 6 april, 7 uur zondag 7 april, 's ochtends
27 zondag 23 maart, 6 uur woensdag 26 maart, 19 uur donderdag 27 maart, 's avonds
28 maandag 22 maart, 12 uur maandag 15 maart, 2 uur dinsdag 16 maart, 's ochtends
29 dinsdag 22 maart, 18 uur zaterdag 2 april, 19 uur zondag 3 april, 's avonds
30 donderdag 23 maart, 0 uur woensdag 22 maart, 20 uur donderdag 23 maart, 's avonds
31 vrijdag 23 maart, 5 uur maandag 12 maart, 1 uur dinsdag 13 maart, 's ochtends
32 zaterdag 22 maart, 11 uur zaterdag 29 maart, 22 uur zondag 30 maart, 's avonds
33 zondag 22 maart, 17 uur donderdag 19 maart, 12 uur vrijdag 20 maart, 's middags
34 maandag 22 maart, 23 uur dinsdag 9 maart, 6 uur woensdag 10 maart, 's ochtends
35 woensdag 23 maart, 5 uur maandag 28 maart, 6 uur dinsdag 29 maart, 's ochtends
36 donderdag 22 maart, 11 uur vrijdag 16 maart, 17 uur zaterdag 17 maart, 's avonds

Aan de hand daarvan kan van jaar tot jaar worden berekend, wanneer de maand Nisan begonnen is, namelijk op de dag van de laatste zonsondergang vóórdat de nieuwe maan weer zichtbaar werd:

Jaar Begin van de maand Nisan
26 zaterdag 6 april
27 donderdag 27 maart
28 maandag 15 maart
29 zondag 3 april
30 donderdag 23 maart
31 maandag 12 maart
32 zondag 30 maart
33 donderdag 19 maart
34 dinsdag 9 maart
35 maandag 28 maart
36 zaterdag 17 maart

Zoals uit deze tabel blijkt, waren er in de periode van 26 tot 36 n.C. slechts drie jaren waarin de maand Nisan op een donderdag begon: de jaren 27, 30 en 33. Jezus kan dus in elk geval niet in één van de andere jaren gekruisigd zijn.

Kanttekeningen

1. Een element van onzekerheid in deze berekeningen is, dat niet op de minuut nauwkeurig kan worden berekend, wanneer de lente-equinox werd gepasseerd en wanneer het nieuwe maan werd. Er zit nu eenmaal variatie in de bewegingen van de hemellichamen ten opzichte van elkaar en in de draaiing van de aarde om haar as. De nauwkeurigheid van astronomische berekeningen met betrekking tot het verleden neemt dan ook af, naarmate men verder terugrekent. Volgens de astronomen die de gegevens in de eerste tabel berekend hebben, kunnen de lente-equinox en de nieuwe maan 1 à 2 uur eerder of later geweest zijn dan wat in de tabel is vermeld. Dat blijkt echter vrijwel niet van invloed te zijn op de uitkomsten in de tweede tabel. Alleen in het jaar 34 viel het begin van de maand zo vroeg, dat het gevoelig zou kunnen zijn voor het precieze tijdstip waarop de lente-equinox gepasseerd werd. Maar zelfs in dat jaar zou het begin van de maand alleen dan afwijken van de berekende datum, als de lente-equinox minstens 16 uur later gepasseerd was dan berekend is. Dat is gelet op de nauwkeurigheid waarmee de lente-equinox berekend is, uitgesloten. Wat de nieuwe maan betreft, blijkt het begin van de maand in de jaren 27, 29, 30 en 36 min of meer afhankelijk te zijn van de nauwkeurigheid van de berekening. In die jaren zou de maand een dag eerder begonnen zijn, als het meer dan 4 uur eerder nieuwe maan geworden was. Dat is echter gelet op de nauwkeurigheid waarmee de nieuwe maan berekend is, vrijwel uitgesloten. Een afwijking van 2 uur kan alleen in het jaar 36 gevolgen hebben gehad voor het begin van de maand: in het onwaarschijnlijke geval dat het in dat jaar al om 3 uur 's middags nieuwe maan was en de maan bovendien als gevolg daarvan al de volgende dag vóór zonsondergang zichtbaar geworden is, begon de maand in dat jaar niet op zaterdag 17 maart, maar al op vrijdag 16 maart. De maand kan in geen enkel jaar als gevolg van de beperkte nauwkeurigheid van de berekeningen later begonnen zijn. Zelfs in het jaar 26, waarin het betrekkelijk laat nieuwe maan werd, zou de afwijking van het berekende tijdstip minstens 9 uur moeten zijn om van invloed te zijn op het begin van de maand. Kortom, afgezien van de mogelijkheid dat de maand Nisan in het jaar 36 één dag eerder begonnen is dan vermeld, zijn de uitkomsten van de tweede tabel niet afhankelijk van de exactheid waarmee de lente-equinox en de nieuwe maan berekend zijn.

2. Een tweede element van onzekerheid is, dat het voorgekomen kan zijn dat de maan door weersomstandigheden - bijvoorbeeld bewolking - pas later werd waargenomen dan het tijdstip waarop zij bij heldere hemel zichtbaar geweest zou zijn. Als de maan vóór de eerstvolgende zonsondergang alsnog werd waargenomen, had de verlate waarneembaarheid geen invloed op het begin van de maand. Het kan echter zijn voorgekomen, dat het door weersomstandigheden zo lang duurde, voordat de maan werd waargenomen, dat de zon inmiddels al weer ondergegaan was. De maand Nisan begon dan één dag later dan berekend. We moeten er dan ook rekening mee houden, dat de maand in alle vermelde jaren één dag later begonnen kan zijn dan in de tweede tabel is vermeld. Een grotere afwijking is niet mogelijk, omdat de voorafgaande maand op grond van de regels nooit langer kon duren dan 30 dagen. Belangrijk is verder, dat de afwijking van maximaal 1 dag in geen enkel jaar tot gevolg kan hebben gehad, dat het begin van de maand op een donderdag kwam te vallen. Dat zou alleen mogelijk geweest zijn, als de berekende datum een woensdag was, maar zoals blijkt uit de tweede tabel, viel het berekende begin van de maand in geen enkel jaar op een woensdag. Zoals we eerder gezien hebben, moet de maand Nisan in het jaar waarin Jezus gekruisigd is, op een donderdag begonnen zijn. De situatie dat de maand door weersomstandigheden een dag later begonnen is dan berekend, kan zich dus in het jaar van de kruisiging niet hebben voorgedaan.

Terug naar begin

De doop van Jezus

Nadat we aan de hand van astronomische berekeningen hebben vastgesteld dat Jezus gekruisigd is in één van de jaren 27, 30 en 33, kan de kruisiging nog nauwkeuriger worden gedateerd door te letten op een belangrijk ankerpunt van de bijbelse chronologie: het begin van het openbare optreden van Johannes de Doper. Het staat immers op grond van het getuigenis van diverse onafhankelijke bronnen vast, dat Jezus door Johannes de Doper gedoopt is. Jezus kan dus niet eerder gekruisigd zijn dan nadat Johannes met zijn doopactiviteit begonnen was.

Welnu, over het begin van de doopactiviteit van Johannes zijn we vrij nauwkeurig geïnformeerd. Zoals blijkt uit Lucas 3:1-3, begon Johannes te dopen nadat hij in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius een openbaring van God had ontvangen. De regering van Tiberius begon in augustus van het jaar 14. Het vijftiende regeringsjaar van Tiberius begon dus in augustus van het jaar 28. Johannes kan zijn openbaring daarom op zijn vroegst gekregen hebben in augustus van het jaar 28. Het kan later geweest zijn, maar niet eerder. Er moeten daarna nog enkele maanden van bezinning en voorbereiding verstreken zijn, voordat Johannes met dopen begon. De doopactiviteit van Johannes kan dus niet eerder begonnen zijn dan aan het eind van het jaar 28 of in het begin van het jaar 29. Het meest waarschijnlijk lijkt, dat Johannes ermee begonnen is in het begin van de lente van het jaar 29, omstreeks het Pesachfeest, toen veel pelgrims de Jordaan passeerden.

Vervolgens moeten we twee belangrijke aanwijzingen in aanmerking nemen, namelijk (1) dat de doop van Jezus pas heeft plaatsgevonden nadat de doopactiviteit van Johannes al geruime tijd aan de gang was [15], en (2) dat Jezus 2 à 3 maanden voor het Pesachfeest gedoopt is [16]. Op grond van beide aanwijzingen, gecombineerd met het begin van de doopactiviteit van Johannes, kan Jezus niet eerder gedoopt zijn dan in het begin van het jaar 30.

Uit deze feiten volgt, dat Jezus noch in het jaar 27, noch in het jaar 30 gekruisigd kan zijn. In het jaar 27 was Johannes nog niet met dopen begonnen en had Jezus dus, als hij in dat jaar gekruisigd was, niet door hem gedoopt kunnen zijn. Als Jezus in het jaar 30 gekruisigd was, zou zijn openbare optreden niet langer geduurd kunnen hebben dan enkele maanden. Er zijn vier redenen waarom dat niet het geval geweest kan zijn. Ten eerste wijzen alle evangeliën erop, dat het openbare optreden van Jezus meer dan een jaar geduurd heeft [17]. Ten tweede zou hij in een tijdsbestek van enkele maanden nooit de aanhang en invloed gekregen kunnen hebben die hij gekregen heeft. Ten derde zou Jezus, als hij zijn boodschap slechts gedurende enkele maanden verkondigd had, nooit zo'n bedreiging voor de openbare orde geworden kunnen zijn, dat er reden was om hem te kruisigen [18]. Ten vierde blijkt uit de chronologie van de laatste maanden van Jezus' leven, dat hij na een langdurig verblijf in Galilea, aan het eind van het voorafgaande jaar of uiterlijk aan het begin van het jaar waarin hij gekruisigd zou worden, naar Judea vertrokken is [19]. Kortom, de kruisiging van Jezus moet worden gedateerd ná het jaar 30.

Terug naar begin

Conclusie

Uit al deze gegevens volgt, dat Jezus in het jaar 33 gekruisigd is. Aangezien de maand Nisan in dat jaar begon bij zonsondergang op 19 maart, duurde de 15e dag van die maand van zonsondergang 2 april tot zonsondergang 3 april. De kruisiging van Jezus heeft dus plaatsgevonden op vrijdag 3 april van het jaar 33 [20].

Terug naar begin


1. De vertaling van 1951 (NBG) leest ‘voor’ het Pascha, maar er is geen aanleiding om de genitivus in de oorspronkelijke griekse tekst anders op te vatten dan als een genitivus possessivus (‘van...’ in de zin van ‘behorende bij...’).
2. Vgl. J. van Bruggen, Christus op aarde, Kampen, 1994 (3e druk), pp. 186-192.
3. In Leviticus 23 en Numeri 28 wordt het woord ‘sabbat’ - op één uitzondering na - uitsluitend gebruikt voor de zaterdag. De enige uitzondering daarop is de Verzoendag, die in Leviticus 23:32 ‘sabbat’ genoemd wordt, waarschijnlijk omdat op die feestdag, anders dan op de andere feestdagen, niet alleen arbeid in loondienst, maar elk werk verboden was (een kenmerk van de sabbat). In Numeri 28 wordt overigens ook de Verzoendag geen ‘sabbat’ meer genoemd en wordt het woord ‘sabbat’ alleen nog gebruikt voor de zaterdag. Hetzelfde geldt voor de andere geschriften van de Tenach. Het feit dat voor een aantal feestdagen regels golden die sterk leken op die voor de sabbat, betekende dus niet, dat die dagen ‘sabbat’ genoemd werden. Dat wordt bevestigd door de Talmoed, waar bijvoorbeeld in Betza 15b en 36b uitdrukkelijk onderscheid gemaakt wordt tussen feestdagen en de sabbat. Volgens de Talmoed gelden voor activiteiten op feestdagen minder strenge beperkingen dan voor activiteiten op de sabbat. Dat impliceert dat feestdagen geen sabbat zijn.
4. Toen Jezus de desbetreffende uitspraak deed, was zijn lijden en sterven nog lang niet aan de orde. Dat kwam pas in Mattheüs 16:21. Jezus verwees in Mattheüs 12:40 ook niet naar zijn wederopstanding, hetgeen wel verwacht zou mogen worden, als hij bedoeld had iets over zijn dood te zeggen. Bovendien impliceert de vergelijking met Jona in Mattheüs 12:39-41, dat Jezus met de metafoor ‘in het hart der aarde zijn’ iets heel anders bedoelde dan dat hij begraven zou zijn. Het ging evenals bij Jona om een voorbereidingstijd die vooraf zou gaan aan een oproep tot bekering aan de heidenen.
5. Dat past ook goed in de context waarin Jezus de uitspraak deed, terwijl een voorspelling van de duur van zijn dood daar juist niet in past.
6. Als dat niet zo was, zou er immers geen reden geweest zijn om het Pesachmaal voor te bereiden. De teksten geven ook geen enkele aanleiding voor het vermoeden, dat het Pesachmaal wel voorbereid, maar niet genuttigd is.
7. Vaak wordt ook Johannes 19:14 als argument aangevoerd, maar daaruit blijkt niet dat het Pesachmaal nog gegeten moest worden: het woord ‘Pesach’ kon ook slaan op het Pesachfeest.
8. Vgl. J. van Bruggen, Christus op aarde, Kampen, 1994 (3e druk), pp. 186-192. Van belang is in dit verband, dat in de oorspronkelijke griekse tekst niet gesproken wordt over een Pesachmaal, maar over het eten van ‘het Pascha’. Van Bruggen wijst erop, dat daarmee ook het eten van de offers en de ongezuurde broden ten tijde van het Pesachfeest bedoeld kan zijn.
9. De 15e dag van de maand viel weliswaar overdag op een vrijdag, maar was al begonnen toen de avond daarvóór de zon was ondergegaan. Volgens de joodse dagrekening begon de dag namelijk bij zonsondergang. De 15e dag van de maand was dus op donderdagavond begonnen. Daaruit volgt, dat ook de 1e dag van de maand (precies 2 weken daarvóór) op een donderdag begonnen was.
10. Dit blijkt uit de Talmoed, b.Rosh haShanah, en berustte op het feit dat de periode tussen twee nieuwe manen altijd minder is dan 30 dagen.
11. Dit berustte op het feit dat het Pesach-offer pas na het begin van de astronomische lente, dus na het passeren van de lente-equinox, gebracht mocht worden. Vgl. Eusebius, Historia ecclesiastica, 7.32.17. Omdat het Pesach-offer gebracht werd op de 14e dag van de maand Nisan vanaf 3 uur 's middags, moest het aan het begin van die maand al vaststaan dat de lente-equinox op dat moment gepasseerd zou zijn. Als aan die voorwaarde niet was voldaan, werd een extra maand ingelast. Dat de lente-equinox destijds in de maand Nisan moest vallen, blijkt onder meer uit geschriften van Aristobulus, Philo en Flavius Josefus en wordt bevestigd door de Talmoed, b.Sanhedrin, 13b. Zie ook J. van Goudoever, Biblical Calendars, Leiden, 1961 (2nd ed.), p. 9; E. Schürer, G. Vermes en F. Millar, The History of the Jewish People in the Age of Jesus Christ, Vol. I, Edinburgh, 1973, p. 593.
12. Ontleend aan ‘Spring Phenomena 25 BCE to 38 CE’, aa.usno.navy.mil/faq/docs/SpringPhenom.php. De aldaar vermelde tijdstippen zijn verhoogd met 2 uur om rekening te houden met het tijdsverschil tussen Greenwich en Jeruzalem.
13. Ontleend aan ‘Spring Phenomena 25 BCE to 38 CE’ (zie link in de vorige noot). De aldaar vermelde tijdstippen zijn verhoogd met 2 uur om rekening te houden met het tijdsverschil tussen Greenwich en Jeruzalem. De tijdstippen zijn berekend met een nauwkeurigheid van 1 à 2 uur. Met inachtneming van die marge komen zij overeen met de tijdstippen, vermeld in C.J. Humphreys en W.G. Waddington, ‘The Date of the Crucifixion’, Journal of the American Scientific Affiliation, 37 (1985), March, pp. 2-10.
14. Het duurt, afhankelijk van het moment van de dag, 20 à 24 uur voordat de maan na nieuwe maan weer zichtbaar wordt. Bij een nieuwe maan overdag duurt het enkele uren langer. Voor de jaren 33 en 36 is daarom uitgegaan van 26 à 28 uur. Het is niet aannemelijk dat het in het jaar 33 meer dan 30 uur geduurd zou hebben, voordat de nieuwe maan weer zichtbaar werd. Op grond daarvan kan ervan uitgegaan worden, dat de maan op 20 maart van dat jaar in de loop van de middag weer zichtbaar geworden is.
15. Dat Jezus zich niet meteen nadat Johannes met zijn doopactiviteit begonnen was, door hem heeft laten dopen, blijkt onder meer uit het feit dat Johannes, toen hij Jezus doopte, al grote bekendheid gekregen had (zie bijvoorbeeld Lucas 3:21). Bovendien blijkt uit diverse details in de evangeliën (Mattheüs 3:13, Marcus 1:9, Johannes 2:1-2), dat Jezus in het noordelijke Jordaandal, in de omgeving van Galilea, gedoopt is, terwijl Johannes zijn doopactiviteit begonnen was in het zuiden. Het is aannemelijk dat Johannes zijn activiteit pas na een aantal maanden naar het noorden heeft uitgebreid. Hij moet dus al een aantal maanden actief geweest zijn, voordat hij Jezus doopte. Daar komt bij, dat Johannes al vroeg in de christelijke traditie bekend geworden is als de wegbereider van Jezus (zie bijvoorbeeld Marcus 1:1-8). Het is niet waarschijnlijk dat dat gebeurd zou zijn, als zijn openbare optreden nagenoeg zou zijn samengevallen met dat van Jezus. Ten slotte is nog van belang, dat Johannes blijkens de beschrijving die de joodse historicus Flavius Josefus van hem geeft, grote invloed gehad heeft. Dat maakt het aannemelijk, dat het optreden van Johannes langer geduurd heeft dan één jaar, terwijl op grond van de evangeliën mag worden aangenomen, dat hij binnen een jaar na de doop van Jezus gevangengenomen is (zie bijvoorbeeld Mattheüs 4:12, Marcus 1:14). Op grond van al deze feiten kan Jezus niet meteen na het begin van Johannes' openbare optreden gedoopt zijn. Waarschijnlijk heeft Jezus zich laten dopen toen Johannes ongeveer een jaar actief was en heeft hij vervolgens nog bijna een jaar met Johannes samengewerkt, voordat hij in Galilea zijn eigen weg ging (Johannes 3:22-4:3).
16. Dat Jezus 2 à 3 maanden voor het Pesachfeest gedoopt is, kan worden afgeleid uit twee gegevens in de evangeliën. Ten eerste heeft Jezus kort na zijn doop gedurende 40 dagen rondgezworven in de woestijn (Mattheüs 4:1-11, Marcus 1:12-13, Lucas 4:1-13). Ten tweede is hij na afloop daarvan bij Johannes teruggekeerd, kort voordat de pelgrims uit Galilea wegens het Pesachfeest naar Jeruzalem zouden vertrekken (Johannes 1:29-2:13). Uit de beschrijvingen van de gebeurtenissen in deze periode kan worden afgeleid, dat Jezus ongeveer een maand voor het feest bij Johannes is teruggekeerd en dus ruim 2 maanden voor het feest de woestijn is ingegaan. De doop moet kort daarvoor hebben plaatsgevonden.
17. Er zijn in de evangeliën sterke aanwijzingen, dat het openbare optreden van Jezus ruim 3 jaar geduurd heeft. De evangelist Marcus wekt op het eerste gezicht de indruk dat de periode korter was, maar ook volgens diens beschrijving moet Jezus' openbare optreden meer dan een jaar geduurd hebben.
18. We moeten hierbij bedenken dat Jezus geen rebellenleider was. Rebellenleiders kunnen in staat zijn in korte tijd een bende van opstandelingen om zich heen te verzamelen. Jezus streefde echter geen politiek doel na, maar een religieus doel. Zijn boodschap was een nieuwe interpretatie van de Tōrā. Het duurt lang, voordat zo'n boodschap veel mensen aanspreekt. Het is dan ook niet waarschijnlijk, dat het aantal van Jezus' volgelingen snel gegroeid is. De joodse leiders in Jeruzalem waren bovendien wel gewend aan rondreizende rabbi's met een afwijkende leer. Zij zullen in Jezus dan ook lange tijd geen gevaar voor de openbare orde hebben gezien - zeker niet een zodanig gevaar, dat hij gekruisigd zou moeten worden.
19. Mattheüs 19:1, Marcus 10:1. De evangelist Johannes vermeldt zelfs, dat Jezus al in december (tijdens het Chanoekafeest) in Jeruzalem was (10:22) en daarna alleen nog in Perea verbleven heeft (10:40). Daaruit kan afgeleid worden, dat hij Galilea al in het najaar verlaten had.
20. Alle data op deze pagina zijn gegeven volgens de juliaanse kalender. Volgens de huidige (gregoriaanse) kalender zou de kruisiging van Jezus hebben plaatsgevonden op 1 april.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 21 april 2016