שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

< Vorige pagina Volgende pagina >


2.1. Het Oude Testament
2.2. Het Nieuwe Testament


2. Bijbel

2.1. Het Oude Testament

De nazoreeŽn erkenden het Oude Testament als het door de heilige Geest geÔnspireerde Woord van God. Dit blijkt uit de volgende passage:

Gij, Jahweh, zijt het, [...] die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: [...].
(Handelingen 4:24-25)

Ook uit het feit dat zij niet alleen de Tōrā, maar ook de profeten en de geschriften als gezaghebbende bronnen aanhaalden [1], blijkt dat zij het Oude Testament in zijn geheel als Woord van God beschouwden. Dat de nazoreeŽn ook in de tijd nadat het Nieuwe Testament tot stand gekomen was, het Oude Testament als gezaghebbend zijn blijven beschouwen, blijkt uit een uitspraak van Epifanius:

Zij [de nazoreeŽn] gebruiken niet alleen het Nieuwe Testament, maar ook het Oude Testament, zoals de joden. Want zij houden [...] vast aan de Wet, de profeten en de boeken die de joden ‘Geschriften’ noemen. [...] Evenals de joden, lezen zij de gehele Wet, de profeten en de zogenoemde Geschriften - ik bedoel de poŽtische boeken, Koningen, Kronieken, Esther en alle andere - in het hebreeuws.
(Epifanius, Panarion, 29.7)

Uit deze uitspraak blijkt ook, dat de nazoreeŽn niet de Septuaginta gebruikten, maar de hebreeuwse tekst van het Oude Testament, dat zij alle door het orthodoxe jodendom erkende geschriften van het Oude Testament als canoniek beschouwden [2], en dat het Oude Testament voor hen even veel gezag had als het Nieuwe Testament.

Terug naar begin

2.2. Het Nieuwe Testament

Bij de latere nazoreeŽn omvatte de canon van de Bijbel ook het Nieuwe Testament. Daarmee is echter niet gezegd, dat zij alle boeken van het huidige Nieuwe Testament als canoniek erkenden. Welke boeken zij tot de canon rekenden, is niet met zekerheid vast te stellen. De nazoreeŽn zullen daarbij echter stellig ruimhartiger zijn geweest dan de ebionieten, aangezien van de ebionieten uitdrukkelijk wordt vermeld, dat zij slechts ťťn evangelie erkenden en de leer van Paulus verwierpen [3]. Aangezien dat van de nazoreeŽn niet vermeld wordt, mag worden aangenomen dat zij de algemeen door de kerk geaccepteerde geschriften als canoniek hebben erkend [4]. Wel zullen de brieven van Paulus en de johanneÔsche geschriften waarschijnlijk minder hoog in aanzien hebben gestaan dan in de hellenistische orthodoxie [5], terwijl met name aan het evangelie van MattheŁs en de Brief van Jakobus hoge waarde toegekend zal zijn [6].

Wat het evangelie van MattheŁs betreft, blijkt uit uitspraken van diverse christelijke auteurs uit de eerste eeuwen na Christus [7], dat de nazoreeŽn evenals de ebionieten een aramese versie van dat evangelie gebruikten, die door de hellenistische christenen het ‘Evangelie der hebreeŽn’ werd genoemd [8]. Hoe dat evangelie zich verhield tot de griekse tekst van het evangelie van MattheŁs, kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Waarschijnlijk was het Evangelie der hebreeŽn de oorspronkelijke tekst van het evangelie van MattheŁs en is de griekse tekst daaruit door vertaling, bewerking en aanvulling ontstaan [9].

Waarschijnlijk moet de totstandkoming van het evangelie van MattheŁs zo worden verklaard, dat de oorspronkelijke aramese tekst, die reeds onder de naam ‘Evangelie van MattheŁs’ werd overgeleverd, eerst in het grieks is vertaald, waarna de griekse versie een aantal jaren later is samengevoegd met het evangelie van Marcus en aangevuld met teksten uit de documenten Q en M en informatie uit getuigenverklaringen en mondelinge overleveringen. Het resultaat van de samenvoeging en aanvulling zou vervolgens onder de hellenistische christenen bekend geworden zijn als het ‘Evangelie van MattheŁs’, terwijl de oorspronkelijke aramese tekst, die alleen nog door joodse christenen werd gebruikt, om die reden de bijnaam ‘Evangelie der hebreeŽn’ kreeg.

Terug naar begin

< Vorige pagina Volgende pagina >



1. Zie Handelingen 2:16-21, 25-31, 34-35; 3:18, 21-24; 7:52; 8:32-35; 10:43; 15:15-18.
2. Epifanius vermeldt in het geciteerde hoofdstuk (Panarion, 29) uitdrukkelijk ook het boek Esther, dat pas betrekkelijk laat door het jodendom als canoniek is erkend. Anderzijds mag worden aangenomen, dat de nazoreeŽn geen apocriefe boeken tot hun canon rekenden, omdat Epifanius daar - anders dan met betrekking tot de ebionieten - niets over vermeldt.
3. Zie Irenaeus, Adversus haereses, I, 26; III, 11; Eusebius, Historia ecclesiastica, III, 27; Epifanius, Panarion, 30. Uit de beschrijving bij Epifanius blijkt overigens ook, dat de ebionieten een aantal apocriefe geschriften als canoniek erkenden, terwijl zij anderzijds een deel van de Pentateuch verwierpen.
4. Terwijl Epifanius bij de beschrijving van de ebionieten uitdrukkelijk hun afwijkende canon vermeldt (Panarion, 30), merkt hij over de nazoreeŽn slechts kortweg op, dat zij naast het Nieuwe Testament ook het Oude Testament gebruikten (Panarion, 29). Verder kan uit HiŽronymus, Commentaar op Jesaja 9, worden afgeleid, dat de nazoreeŽn (anders dan de ebionieten) de brieven van Paulus niet verwierpen. Zie over de tolerante houding van de nazoreeŽn tegenover Paulus ook G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroegste christendom, Delft, 2004 (2e druk), p. 88.
5. De brieven van Paulus en de johanneÔsche geschriften weken op belangrijke punten van de leer van de nazoreeŽn af en zullen dan ook slechts in beperkte mate als gezaghebbend zijn beschouwd.
6. Uit het feit dat het evangelie van MattheŁs in de beschrijvingen van de nazoreeŽn uitdrukkelijk wordt vermeld, kan worden afgeleid, dat dit evangelie bij de nazoreeŽn hoog in aanzien stond. Wat de Brief van Jakobus betreft mag dit worden aangenomen op grond van het feit dat Jakobus de belangrijkste leider van de nazoreeŽn was geweest.
7. Zie Irenaeus, Adversus haereses, I, 26; III, 11; Eusebius, Historia ecclesiastica, III, 25; IV, 22; Epifanius, Panarion, 29; HiŽronymus, Commentaar op Jesaja 11, Commentaar op MattheŁs 12 en Dialogi contra Pelagianos, III, 2.
8. Uit HiŽronymus, De viris illustribus, 2, en Dialogi contra Pelagianos, III, 2, blijkt, dat Origenes en HiŽronymus het Evangelie der hebreeŽn hebben gekend en dat HiŽronymus het zelfs in het grieks en latijn vertaald heeft. Theodoret vermeldt, dat het om het ‘Evangelie van Petrus’ zou gaan (Haereticorum fabularum compendium, 2, 2), maar dat berust waarschijnlijk op een vergissing. De naam ‘Evangelie der hebreeŽn’ was waarschijnlijk een bijnaam die de hellenistische christenen aan het evangelie gegeven hebben, aangezien de naam ‘hebreeŽn’ de benaming was waarmee de nazoreeŽn door de hellenistische christenen werden aangeduid (vgl. Handelingen 6:1). Over de taal waarin het evangelie geschreven was, bestaat enige onduidelijkheid. Eusebius vermeldt, dat het geschreven was in het aramees (Historia ecclesiastica, IV, 22), Epifanius dat het geschreven was in het hebreeuws (Panarion, 29 en 30). Het meest waarschijnlijk lijkt de lezing van HiŽronymus te zijn, dat het evangelie geschreven was in het aramees, maar in hebreeuwse lettertekens (Dialogi contra Pelagianos, III, 2).
9. Volgens Irenaeus, Adversus haereses, III, 1, en Eusebius, Historia ecclesiastica, III, 24, is het evangelie van MattheŁs oorspronkelijk in het aramees geschreven. Weliswaar vermeldt Eusebius elders (Historia ecclesiastica, III, 39), dat het evangelie oorspronkelijk ‘in de hebreeuwse taal’ geschreven zou zijn, maar daarmee zou ook de door de joden gebruikte taal (het palestijnse aramees) bedoeld kunnen zijn. Vgl. ook Epifanius, Panarion, 29, en HiŽronymus, De viris illustribus, 3, en Dialogi contra Pelagianos, III, 2. De meest waarschijnlijke verklaring lijkt te zijn, dat het evangelie oorspronkelijk geschreven is in het aramees, maar in hebreeuwse lettertekens.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 14 januari 2011