שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

< Vorige pagina Volgende pagina >


1.1. De God van Israel
1.2. Geen drie-eenheid
1.3. De heilige Geest


1. God

1.1. De God van Israel

Het godsbeeld van de nazoreeŽn was joods. God was voor hen de God van het Oude Testament, de God van Abraham, Isašk, Jakob, Mozes en de profeten, de God die zich met Israel verbonden had en zich in de Tōrā en de profetische geschriften aan zijn volk had geopenbaard. Dit blijkt uit de volgende passages:

De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men hem moest loslaten.
(Handelingen 3:13)

Zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Messias moest lijden.
(Handelingen 3:18)

Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.
(Handelingen 3:21)

Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: “En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden.” God heeft in de eerste plaats voor u zijn knecht doen opstaan en hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.
(Handelingen 3:25-26)

De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht.
(Handelingen 5:30)

Het blijkt ook uit het feit, dat voor God naast de algemene naam ‘God’ ook de verbondsnaam ‘Jahweh’ werd gebruikt:

Voor u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als Jahweh, onze God, ertoe roepen zal.
(Handelingen 2:39)

Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van Jahweh.
(Handelingen 3:19)

Gij, Jahweh, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: “Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen Jahweh en tegen zijn Messias.” [...] En nu, Jahweh, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus.
(Handelingen 4:24-30)

Dat God voor de nazoreeŽn de God van het Oude Testament was, blijkt ook uit de volgende citaten uit het Oude Testament:

Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet JoŽl: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag van Jahweh komt. En het zal zijn, dat al wie de naam van Jahweh aanroept, behouden zal worden.”
(Handelingen 2:16-21)

David zegt van hem: “Ik zag Jahweh te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht.” [...] Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Messias, dat hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.
(Handelingen 2:25-31)

David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: “Jahweh heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten.”
(Handelingen 2:34-35)

Mozes toch heeft gezegd: “Jahweh God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid.” En al de profeten, van Samuel af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd. Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: “En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden.”
(Handelingen 3:22-25)

Gij, Jahweh, zijt het, [...] die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: “Waarom hebben de heidenen gewoed en de volken ijdele raad bedacht? De koningen der aarde hebben zich opgesteld en de oversten zijn tezamen vergaderd tegen Jahweh en tegen zijn Messias.”
(Handelingen 4:24-26)

Ten slotte kan in dit verband nog worden gewezen op de verdediging van Stefanus voor het Sanhedrin (Handelingen 7:2-53). In die verdediging gaf Stefanus er blijk van, dat de God die hij vereerde, geen andere was dan ‘de God der vaderen’, de God van het Oude Testament. Hoewel hij op andere punten afweek van de leer van de nazoreeŽn [
1], stemde hij op dat punt volkomen met hen in.

Terug naar begin

1.2. Geen drie-eenheid

1.2.1. E…NHEID VAN GOD

Dat het godsbeeld van de nazoreeŽn joods was, blijkt niet alleen uit het feit dat God voor hen de God van het Oude Testament was, maar ook uit het feit dat er bij hen geen spoor te vinden was van de triniteitsleer (de leer van God als drie-eenheid). God was voor hen de ene Persoon die in het Oude Testament ‘Jahweh’ genoemd wordt [2].

De leer dat God ťťn is, verwijst naar het ‘sjema‘ jiśrā’ēl’ van Deuteronomium 6:4, de kern van het joodse geloof. Weliswaar onderscheidde de erkenning van Jezus als de Zoon van God de nazoreeŽn van het orthodoxe jodendom, maar dat betekende niet, dat zij Jezus met God vereenzelvigden. Het geloof in de ťťnheid van God was bij de nazoreeŽn hetzelfde als in het jodendom [3]. Jezus had volgens hen na zijn verrijzenis en hemelvaart wel goddelijke waardigheid en macht verkregen, maar was niet van eeuwigheid goddelijk en mocht ook na zijn ‘verhoging’ niet met God vereenzelvigd worden. De heilige Geest was geen aparte persoon in de godheid, maar God zŤlf, voor zover Hij in mensen aanwezig is of door middel van hen werkt.


1.2.2. GOD ALS VADER

God wordt in de nazoreÔsche teksten in het Nieuwe Testament slechts op ťťn plaats in verband met Jezus en de heilige Geest aangeduid als ‘de Vader’, en wel in de toespraak van Petrus op de Pinksterdag in het jaar 33:

Nu hij [Jezus] dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.
(Handelingen 2:33)

De metafoor ‘Vader’ is hier niet trinitarisch bedoeld, maar op dezelfde wijze als in het ‘Onze Vader’: Jezus had zijn volgelingen geleerd dat God niet alleen zijn hemelse Vader was, maar ook die van hen. Dat achter de benaming ‘Vader’ geen trinitarische opvatting van God schuil gaat, blijkt uit de context: de uitspraak, dat God Jezus verhoogd had en hem de heilige Geest ter beschikking gesteld had, past niet goed in een opvatting van God als drie-eenheid, maar juist wŤl in een joodse opvatting van God, die een mens (Jezus) kan verhogen en hem een bijzondere volmacht over de heilige Geest kan schenken.

Behalve in de toespraak van Petrus op de Pinksterdag, komen we in de nazoreÔsche teksten de metafoor ‘Vader’ voor God alleen nog tegen in de Brief van Jakobus:

Iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is, daalt van boven neder, van de Vader der lichten, bij wie geen verandering is of zweem van ommekeer.
(Jakobus 1:17)

Zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk en zichzelf onbesmet van de wereld bewaren.
(Jakobus 1:27)

Met haar [de tong] loven wij Jahweh, de Vader, en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn.
(Jakobus 3:9)

Jakobus brengt de metafoor op geen enkele wijze in verband met de Zoon en de Geest - hij spreekt in het geheel niet over Jezus als ‘de Zoon’ en noemt de Geest niet eens -, maar doelt hier evenals Petrus op God als Vader van alle gelovigen. Ook bij Jakobus is er dus geen spoor van een trinitarische opvatting van God.

Het is in dit verband ook opmerkelijk, dat Jezus in de nazoreÔsche teksten nergens wordt aangeduid als de ‘Zoon van God’. De nazoreeŽn zullen Jezus ongetwijfeld ook wel de ‘Zoon van God’ hebben genoemd [4], maar die titel heeft bij hen toch een minder prominente rol gespeeld dan in de hellenistische traditie, waarin zij in ontologische zin werd opgevat [5]. Voor de nazoreeŽn was Jezus voor alles de Messias en was de aanduiding ‘Zoon van God’ niet meer dan een messiaanse titel.


1.2.3. JEZUS NIET VAN EEUWIGHEID GODDELIJK

Dat Jezus voor de nazoreeŽn niet van eeuwigheid goddelijk was, blijkt uit de volgende passages in de Handelingen der apostelen:

Jezus, de nazoreeŽr, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. God evenwel heeft hem opgewekt, want Hij verbrak de weeŽn van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat hij door hem werd vastgehouden.
(Handelingen 2:22-24)

Daar hij nu [David] een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, [...].
(Handelingen 2:30)

Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort. Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: “Jahweh heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten.” Dus moet ook het ganse huis Israels zeker weten, dat God hem Ťn tot Here Ťn tot Messias gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
(Handelingen 2:32-36)

In de naam van Messias Jezus, de nazoreeŽr: wandel!
(Handelingen 3:6)

De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men hem moest loslaten.
(Handelingen 3:13)

De leidsman ten leven hebt gij gedood, maar God heeft hem opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn.
(Handelingen 3:15)

Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van Jahweh, en Hij de Messias, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.
(Handelingen 3:19-20)

Mozes toch heeft gezegd: “Jahweh God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal.”
(Handelingen 3:22)

God heeft in de eerste plaats voor u zijn knecht doen opstaan en hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.
(Handelingen 3:26)

[...] door de naam van Messias Jezus, de nazoreeŽr, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, [...].
(Handelingen 4:10)

Inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israel, om te doen al wat uw hand en uw raad tevoren bepaald had, dat geschieden zou. En nu, Jahweh, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus.
(Handelingen 4:27-30)

De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een leidsman en heiland om Israel bekering en vergeving van zonden te schenken.
(Handelingen 5:30-31)

Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt.
(Handelingen 7:52)

Gij weet van de dingen, die geschied zijn door het gehele joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop, die Johannes verkondigde, van Jezus van Nazareth, hoe God hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met hem.
(Handelingen 10:37-38)

Hem heeft God ten derde dage opgewekt en heeft gegeven, dat hij verscheen, niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen, die door God tevoren gekozen waren, aan ons, die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de doden was opgestaan; en hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.
(Handelingen 10:40-42)

Uit deze passages blijkt allereerst, dat de nazoreeŽn scherp onderscheid maakten tussen Jezus en God. God had Jezus aangewezen (2:22), God had Jezus opgewekt uit de dood (2:24, 32; 3:15; 4:10; 5:30; 10:40), God had Jezus verhoogd (2:33; 5:31), God had Jezus de heilige Geest ter beschikking gegeven (2:33), God had Jezus tot Heer en Messias gemaakt (2:36), God had Jezus verheerlijkt (3:13), Jezus zou wederkomen als God hem zou terugzenden (3:19-20), God had Jezus gezonden (3:26), God had Jezus gezalfd (4:27), God had Jezus gemaakt tot een leidsman en heiland voor Israel (5:31), God had Jezus gezalfd met de heilige Geest en met kracht (10:38), God was met Jezus (10:38), God had Jezus aangesteld tot rechter over levenden en doden (10:42). Al deze uitspraken zouden niet gedaan kunnen worden, als Jezus zelf God was. Zij tonen Jezus niet als een mens die tegelijk God was, maar als een mens aan wie God iets gedaan had.

Verder blijkt uit de aangehaalde passages, dat Jezus tijdens zijn leven op aarde niet goddelijk was. Hij wordt ‘de nazoreeŽr’ genoemd (2:22; 3:6; 4:10) en aangeduid als een ‘van Godswege aangewezen man’ (2:22), een ‘vrucht uit de lendenen van David’ (2:30), een man ‘van Nazareth’ (10:38), een ‘knecht van God’ (3:13, 26; 4:27, 30) en een profeet (3:22; 7:52). Pas na zijn hemelvaart had God hem goddelijke status verleend (2:33-36; 3:13; 5:31; 10:42) en de heilige Geest ter beschikking gegeven (2:33) [6]. Dit impliceert dat Jezus niet al van eeuwigheid goddelijk geweest was, maar het pas na zijn verrijzenis en hemelvaart geworden was.

Dit laatste wordt bevestigd door de passages waarin gesproken wordt over de verrijzenis van Jezus. Zonder uitzondering wordt deze niet beschreven als een daad van Jezus zelf, maar als een daad van God: het was God, die Jezus uit de dood had opgewekt (2:24-32; 3:15; 4:10; 5:30; 10:40). Dit impliceert dat Jezus niet bij machte was, zelfstandig uit de dood op te staan [7]. De apostelen spraken wel over de ‘opstanding’ van Jezus (1:22; 2:31; 4:33), maar bedoelden daarmee niet een zelfstandige daad van Jezus, maar het resultaat van een daad van God. Pas bij Paulus vinden we voor het eerst de gedachte, dat Jezus actief uit de dood was opgestaan [8]. Deze gedachte was de nazoreeŽn vreemd. Voor hen was Jezus evenmin als andere mensen in staat zelfstandig uit de dood op te staan en was zijn verrijzenis een daad van God.

De nazoreeŽn ontkenden niet, dat Jezus nu - na zijn verrijzenis en hemelvaart - goddelijk is, maar beschouwden dit niet als het herkrijgen van een status die hij van eeuwigheid al bezeten had, maar als verhoging tot een status die Jezus voordien niet had gehad. Jezus kwam daarmee niet op gelijk niveau met God te staan, maar ‘aan Gods rechterhand’ (2:35) [9]. Hij verkreeg niet de status van God zelf, maar die van een gevolmachtigde, die namens God mocht regeren. Petrus noemde dit in 3:13 de ‘verheerlijking’ van Jezus. Daarmee bedoelde hij, dat Jezus goddelijke waardigheid en macht had verkregen. Op grond daarvan konden de nazoreeŽn de verhoogde Messias ‘Heer’ (kurios) noemen. Daarmee stelden zij hem niet op gelijk niveau met God (die eveneens kurios werd genoemd), want Jezus bleef aan God ondergeschikt (vgl. 3:19-20), maar drukten zij uit, dat God aan Jezus goddelijke waardigheid en macht had verleend en dat ieder mens aan Jezus dezelfde eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd was als aan God zelf.


1.2.4. DE HEILIGE GEEST ALS BIJZONDERE KRACHT VAN GOD

De heilige Geest werd door de nazoreeŽn niet gezien als een aparte goddelijke persoon naast God de Vader, maar als de aanwezigheid en werkzaamheid van God in en door mensen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de volgende passages in de Handelingen der apostelen:

Het zal zijn de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
(Handelingen 2:17)

Nu hij [Jezus] dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort.
(Handelingen 2:33)

Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Messias Jezus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.
(Handelingen 2:38)

Gij, Jahweh, zijt het, die geschapen hebt de hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is; die door de heilige Geest bij monde van onze vader David, uw knecht, gezegd hebt: [...].
(Handelingen 4:24-25)

Wij zijn getuigen van deze dingen en ook de heilige Geest, die God hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn.
(Handelingen 5:32)

Toen nu de apostelen te Jeruzalem hoorden, dat Samaria het woord Gods had aanvaard, zonden zij tot hen Petrus en Johannes, die, daar aangekomen, voor hen baden, dat zij de heilige Geest mochten ontvangen. Want deze was nog over niemand van hen gekomen, maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Here Jezus. Toen legden zij hun de handen op en zij ontvingen de heilige Geest. En toen Simon zag, dat door de handoplegging der apostelen de Geest werd gegeven, bood hij hun geld aan, en zeide: “Geef ook mij deze macht, opdat, als ik iemand de handen opleg, hij de heilige Geest ontvange.” Maar Petrus zeide tot hem: “Uw geld zij met u ten verderve, daar gij gemeend hebt de gave Gods voor geld te kunnen verwerven.”
(Handelingen 8:14-20)

God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende.
(Handelingen 15:8-9)

In deze passages wordt niet in termen van een ‘iemand’ over de heilige Geest gesproken, maar in termen van een ‘iets’: iets dat uitgestort kan worden (2:17, 33), iets dat ter beschikking gesteld kan worden (2:33), iets dat gegeven en ontvangen kan worden (2:38; 5:32; 8:15, 17, 19-20; 15:8-9), iets dat door God gebruikt kan worden om zich te openbaren (4:25) of om mensen van de waarheid van het evangelie te overtuigen (5:32) [10]. Dat daarnaast ook meer personalistisch over de Geest gesproken wordt, is hiermee niet in strijd. Waar over de Geest gesproken wordt als over een persoon, gebeurt dat namelijk steeds in passages waarin ook ‘God’ had kunnen staan en waarin de Geest dus met God vereenzelvigd wordt. Ook in het Oude Testament wordt op die manier over de Geest gesproken. Met de Geest is dan Gods aanwezigheid in mensen bedoeld, of de werking van God door middel van mensen. Zie bijvoorbeeld de volgende passages in de Handelingen:

Ananias, waarom heeft de satan uw hart vervuld om de heilige Geest te bedriegen en iets achter te houden van de opbrengst van het stuk land? Als het onverkocht gebleven was, bleef het dan niet van u, en was, na de verkoop, de opbrengst niet te uwer beschikking? Hoe kondt gij aan deze daad in uw hart plaats geven? Gij hebt niet tegen mensen gelogen, maar tegen God. [...] Hoe hebt gij kunnen overeenkomen om de Geest van Jahweh te verzoeken? Zie, de voeten van hen, die uw man hebben begraven, zijn aan de deur en zij zullen ook u uitdragen.
(Handelingen 5:3-9)

Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd?
(Handelingen 7:51-52)

Terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: “Zie, twee mannen zoeken naar u.”
(Handelingen 10:19)

De Geest zeide tot mij, dat ik met hen moest medegaan zonder bezwaar te maken.
(Handelingen 11:12)

Terwijl zij vastten bij de dienst van Jahweh, zeide de heilige Geest: “Zondert mij nu Barnabas en Saulus af voor het werk, waartoe Ik hen geroepen heb.” [...] Dezen dan, door de heilige Geest uitgezonden, trokken naar SeleuciŽ en voeren vandaar naar Cyprus.
(Handelingen 13:2-4)

Het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wŤl doen. Vaart wel!
(Handelingen 15:28-29)

In 5:3-9 gaat het over God zoals Hij aanwezig was in de apostelen: door de apostelen te bedriegen, had Ananias geprobeerd God zŤlf om de tuin te leiden. In 7:51 gaat het over het verzet van de joden tegen God zoals Hij aanwezig was in en sprak door de profeten. En in 10:19, 11:12, 13:2-4 en 15:28-29 gaat het over God die aan mensen laat weten, wat zij moeten doen. Dat in zulke teksten gesproken wordt over de Geest als over een persoon, berust op een vereenzelviging van de kracht en werkzaamheid van God in en door mensen, met God zŤlf. Er is echter geen sprake van, dat de Geest een aparte persoon in de godheid zou zijn, onderscheiden van God de Vader.


1.2.5. DE DOOPFORMULE

Ten slotte kan in dit verband nog worden opgemerkt, dat de nazoreeŽn blijkens de volgende passages niet doopten in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest, maar alleen in de naam van Jezus, de Messias: [11]

Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Messias Jezus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.
(Handelingen 2:38)

Hij beval hen te dopen in de naam van Messias Jezus.
(Handelingen 10:48)

Deze nazoreÔsche doopformule heeft zich zelfs na de ontwikkeling van een trinitarische opvatting van God door Paulus en Johannes nog gedurende enkele decennia kunnen handhaven [12], totdat zij in de hellenistisch-christelijke orthodoxie uiteindelijk vervangen werd door de formule van MattheŁs 28:19.


1.2.6. DE ONTWIKKELING VAN DE TRINITEITSLEER IN HET HELLENISTISCHE CHRISTENDOM

De opvatting van God als drie-eenheid is in het hellenistische christendom ontwikkeld vanuit een ontologische interpretatie van het ‘Zoon van God’ zijn van Jezus. Deze interpretatie hield in, dat Jezus door God verwekt en uit God geboren was. Vanuit deze interpretatie van het Zoonschap van Jezus kwam de gedachte op, dat Jezus als Zoon van God ook zelf volkomen goddelijk moest zijn, dat hij dus ook vůůr zijn geboorte uit de maagd Maria al op een of andere wijze als God bestaan moest hebben (de ‘pre-existentie’ van de Zoon), en dat zijn geboorte dus moest worden opgevat als de komst van God in de vorm van een mens (de ‘incarnatie’ van de Zoon). Deze gedachte zou uiteindelijk leiden tot de dogma's van de twee naturen van Christus en de drie-eenheid van God. Die ontwikkeling heeft zich afgespeeld na de tijd van het Nieuwe Testament. In de nieuwtestamentische geschriften vinden we echter al wel een aantal passages die wijzen op pre-existentie en incarnatie en in de christelijke dogmatiek dan ook gebruikt worden als bewijs voor het trinitarische karakter van het Nieuwe Testament.

De oudste aanwijzingen voor het bestaan van een geloof in een pre-existentie van de Zoon van God en de incarnatie van de Zoon in de mens Jezus dateren van omstreeks het jaar 60. Uit de periode vůůr die tijd zijn wel teksten van Paulus bekend waaruit blijkt, dat hij het Zoonschap van Jezus ontologisch interpreteerde, maar er zijn in de Handelingen der apostelen en de oudere brieven van Paulus nog geen sporen van een pre-existentie- en incarnatieleer. Ook bij Paulus ligt de nadruk op de goddelijke status die Jezus na zijn opstanding verkregen had. Er zijn geen aanwijzingen, dat Paulus al vůůr zijn verblijf in Rome geleerd zou hebben, dat Jezus een als mens geÔncarneerde goddelijke persoon zou zijn [13].

De oudste passages waarin sprake is van pre-existentie en incarnatie, zijn twee christologische hymnen die ontstaan zijn in hellenistisch-christelijke kringen en verwerkt zijn in een van Paulus' laatste brieven en een brief uit de school van Paulus [14]. De eerste hymne vinden we in Filippenzen 2:6-11, waarin bezongen wordt hoe Jezus zijn goddelijke gestalte had afgelegd, aan de mensen gelijk geworden was en zich tot het uiterste vernederd had, maar daarna door God verhoogd was en de waardigheid en macht van Heer over de gehele schepping verkregen had. Het tweede deel van deze hymne komt overeen met de nazoreÔsche leer van de verheerlijking van Jezus. In afwijking van die leer wordt daar echter een pre-existentie- en incarnatiegedachte aan toegevoegd. Dit lijkt het begin te zijn van een vereenzelviging van Jezus met God. De tweede hymne vinden we in Kolossenzen 1:15-20, waar de pre-existentiegedachte nog duidelijker in doorklinkt en bovendien verbonden wordt met een kosmologische voorstelling van Jezus als oorsprong, grond en doel van alle dingen - een voorstelling, die ontleend lijkt te zijn aan het hellenistische jodendom [15]. Deze hymne toont aan, dat Jezus in het hellenistische christendom steeds meer vereenzelvigd werd met God.

Dit heeft er kennelijk toe geleid, dat de uitdrukking ‘Zoon van God’ in hellenistisch-christelijke kringen steeds minder werd opgevat als een messiaanse titel en steeds meer als een aanduiding van de aard van Jezus' goddelijkheid, ter onderscheiding van die van God de Vader. Dit kwam na verloop van tijd tot uitdrukking in de uitbreiding van de doopformule. Terwijl men in de tijd van de apostelen alleen doopte in de naam van Jezus, is men er kennelijk in de loop van de jaren 60-70 toe overgegaan te dopen in de naam van ‘de Vader, de Zoon en de heilige Geest’ - een doopformule die omstreeks het jaar 70 werd vastgelegd in MattheŁs 28:19.

De vereenzelviging van Jezus met God is daarna steeds explicieter geworden. In HebreeŽn 1:2 wordt het kosmologische motief van Kolossenzen 1:15-20 weer opgepakt. Daarna wordt in verschillende brieven uitdrukkelijk uitgesproken, dat Jezus God is (Titus 2:13, 1 Johannes 5:20, 2 Petrus 1:1). In de hellenistisch-christelijke orthodoxie is de vereenzelviging van Jezus met God waarschijnlijk in het begin van de 2e eeuw algemeen aanvaard geworden. Daarbij zal het evangelie van Johannes een belangrijke rol gespeeld hebben. Vůůr de verschijning van dat evangelie was de pre-existentie- en incarnatieleer nog niet uitdrukkelijk geautoriseerd. Paulus en zijn leerlingen gingen nog niet verder dan terloops een hymne te citeren waarin de pre-existentie en incarnatie van de Zoon tot uitdrukking kwamen. Ook in de doopformule van MattheŁs 28:19 bleef de vereenzelviging van Jezus met God impliciet. In het evangelie van Johannes komen de lijnen van de leer van de pre-existentie, de incarnatie en de vereenzelviging van Jezus met God echter uitdrukkelijk samen (zie met name Johannes 1:1-18, 1:30, 10:24-38, 17:5 en 20:28).

Het evangelie van Johannes is waarschijnlijk ontstaan in een hellenistisch-christelijke traditie waarin het niet vreemd was, Jezus te vereenzelvigen met God [16]. Het verschilt in dat opzicht wezenlijk van de meer joods georiŽnteerde synoptische evangeliŽn. In de synoptische evangeliŽn is wel vele malen sprake van Jezus als de Zoon van God, maar wordt hij nergens met God vereenzelvigd. In Marcus 10:18 en Lucas 18:19 wordt elke vereenzelviging van Jezus met God zelfs uitdrukkelijk afgewezen. Er is in de synoptische evangeliŽn wel sprake van een innige relatie van Jezus met God, maar niet van pre-existentie en incarnatie. Niet alleen bij Marcus, maar ook bij MattheŁs en Lucas wordt Jezus beschreven als een mens, niet als geÔncarneerde God. Er is bij hen geen sprake van, dat Jezus vůůr zijn geboorte al op een of andere wijze zou hebben bestaan.

Terug naar begin

1.3. De heilige Geest

Zoals hierboven vermeld, werd de heilige Geest door de nazoreeŽn niet gezien als een aparte goddelijke persoon naast God de Vader, maar als de aanwezigheid en werkzaamheid van God in en door mensen. Aanvankelijk dacht men daarbij vooral aan een bijzondere kracht die van God uitging, na de hemelvaart aan de Messias ter beschikking gegeven was en door de Messias gegeven werd aan allen die in hem geloofden, zich bekeerden en zich in zijn naam lieten dopen. Naderhand werd de heilige Geest steeds meer beschouwd als Gods aanwezigheid in mensen of als de werking van God door middel van mensen. Waar dat zich voordeed, werd de Geest zodanig met God vereenzelvigd, dat over haar gesproken werd als over een persoon. (Zie de passages, aangehaald in 1.2.4).

Dat op den duur gesproken werd over de Geest als over een persoon, betekende niet, dat de nazoreeŽn de Geest gingen beschouwen als een aparte persoon in de godheid, onderscheiden van God de Vader, maar berustte op een vereenzelviging van de kracht en werkzaamheid van God in en door mensen, met God zŤlf: degene die werd aangeduid als ‘de heilige Geest’, was niemand anders dan God zŤlf, die in en door mensen werkzaam was.

Anders dan in de tijd van het Oude testament, was sinds de Pinksterdag in het jaar 33 geen sprake meer van een incidentele werking van de Geest van God in en door enkele individuele mensen, maar van een algemene en blijvende vervulling van de gelovigen door de Geest. De nazoreeŽn zagen dit als de door de profeet JoŽl aangekondigde uitstorting van de Geest ‘op alle vlees’ (Handelingen 2:17). Zij brachten dit met de hemelvaart van Jezus in verband en stelden de uitstorting van de Geest zo voor, dat Jezus na zijn verrijzenis en hemelvaart van God niet alleen goddelijke waardigheid en macht verkregen had, maar ook de beschikking over de heilige Geest, die hij vervolgens op de Pinksterdag over zijn volgelingen uitstortte (Handelingen 2:33) [17].

Aanvankelijk meenden de nazoreeŽn, dat de Geest die zij op de Pinksterdag ontvangen hadden, door middel van de doop of een andere rituele handeling doorgegeven moest worden [18]. Bij het bezoek van Petrus aan Cornelius bleek echter, dat de vervulling met de Geest ook na de Pinksterdag een daad van God bleef, waar geen mens aan te pas kwam [19]. God gaf zijn Geest door en omwille van Jezus aan iedereen die in Jezus geloofde en zich bekeerde tot gehoorzaamheid aan hem [20]. De doop was niet meer dan een erkenning, dat God iemand tot het heil uitverkoren en hem de heilige Geest gegeven had [21].

De werkzaamheid van de heilige Geest in degenen aan wie zij gegeven was, bestond volgens de nazoreeŽn met name uit levensheiliging. Dit blijkt uit Handelingen 2:38 en 40, waar Petrus de ‘gave van de heilige Geest’ in verband brengt met bekering en behoud - waarmee hij teruggrijpt op de profetie van JoŽl:

Het zal zijn, dat al wie de naam van Jahweh aanroept, behouden zal worden.
(Handelingen 2:21)

Ook in de volgende passages is kennelijk gedacht aan levensheiliging:

God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende.
(Handelingen 15:8-9)

Wij zijn getuigen van deze dingen en ook de heilige Geest, die God hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn.
(Handelingen 5:32)

De laatstvermelde tekst is waarschijnlijk zo bedoeld, dat de heilige Geest in de door haar bewerkte gehoorzaamheid aan God in het leven van de gelovigen laat zien, dat het evangelie waar is.

In de periode kort na de Pinksterdag zagen de nazoreeŽn ook extatische geloofsbeleving als een werkzaamheid van de Geest. Zo interpreteerden zij het spreken in tongen zowel op de Pinksterdag [22] als bij het bezoek van Petrus aan Cornelius [23] als teken dat de betrokkenen de heilige Geest ontvangen hadden. Ook wordt in Handelingen 8:14-17 melding gemaakt van Samaritanen die tot geloof gekomen en gedoopt waren, maar de heilige Geest nog niet ontvangen hadden. Daarmee is waarschijnlijk bedoeld, dat deze Samaritanen de extatische geloofsbeleving van de gelovigen in Judea nog misten. Na verloop van tijd is het aspect van extatische geloofsbeleving echter naar de achtergrond verschoven, vermoedelijk als reactie op het feit dat men in hellenistische kringen geneigd was de directe ervaring van de Geest uit te spelen tegen de gehoorzaamheid aan de Tōrā.

Eenzelfde ontwikkeling valt te bespeuren met betrekking tot de profetie. Aanvankelijk lijkt de overtuiging geleefd te hebben, dat de Geest door haar aanwezigheid in de gelovigen ook inzicht bewerkte in wat komen zou of wat gedaan moest worden. Zo verkondigde Petrus op de Pinksterdag:

Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet JoŽl: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.”
(Handelingen 2:16-18)

Ook later heeft Petrus in bepaalde inzichten, die hem gegeven werden, de werking van de Geest ervaren:

Terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: “Zie, twee mannen zoeken naar u.”
(Handelingen 10:19)

De Geest zeide tot mij, dat ik met hen moest medegaan zonder bezwaar te maken.
(Handelingen 11:12)

Na verloop van tijd is echter ook dit aspect van de werking van de Geest naar de achtergrond verschoven. Daarbij heeft waarschijnlijk een belangrijke rol gespeeld, dat men in hellenistische kringen geneigd was met een beroep op persoonlijke openbaringen af te wijken van de Tōrā. Dit blijkt al uit de verdediging van de doop van Cornelius, waarbij Petrus niet alleen een beroep deed op de tekenen van vervulling met de Geest, maar ook op een persoonlijke openbaring, die uitdrukkelijk afweek van de Tōrā [24]. Paulus ging daarin nog verder en stelde, dat hem rechtstreeks door Christus was geopenbaard dat de Tōrā had afgedaan [25]. Dergelijke uitspraken waren voor de nazoreeŽn onaanvaardbaar en leidden dan ook tot ernstige conflicten [26]. Reeds bij het apostelconvent in Handelingen 15:6-29 bleek, dat de nazoreeŽn profetie alleen wilden accepteren voor zover zij in overeenstemming was met de Tōrā [27]. Naar hun overtuiging bewerkte de Geest in de gelovigen alleen inzicht in de Tōrā. Opvattingen die afweken van de Tōrā, konden dan ook niet door de Geest bewerkt zijn. Dit betekende niet, dat er geen ruimte meer was voor profetie, maar dat ware profetie beperkt bleef tot uitleg van de Tōrā en versterking van de gelovigen [28].

Terug naar begin

< Vorige pagina Volgende pagina >



1. Bijvoorbeeld in de afwijzing van de tempeldienst (Handelingen 7:48-49), de relativering van de Tōrā (Handelingen 6:14; 7:53) en de nadruk op de heilige Geest (Handelingen 7:50). Stefanus behoorde niet tot de nazoreeŽn, maar tot de ‘hellenisten’ (Handelingen 6:1).
2. Epifanius, Panarion, 29.7.
3. Dat de nazoreeŽn de ťťnheid van God niet als een drie-eenheid opvatten, wordt bevestigd door de constatering van Epifanius, dat de nazoreeŽn in hun opvattingen volkomen joods waren, uitgezonderd hun geloof in Jezus (Epifanius, Panarion, 29.7).
4. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat Paulus al meteen na zijn bekering verkondigde, dat Jezus de Zoon van God was (Handelingen 9:20).
5. Deze ontologische interpretatie blijkt in de kiem reeds aanwezig te zijn in de toespraak van Paulus tot de joden in PisidiŽ, waar hij met het oog op Jezus verwees naar Psalm 2: “Mijn zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt”. Johannes sprak op dezelfde manier van Jezus als ‘Gods eniggeboren Zoon’. Dergelijke uitdrukkingen konden nog metaforisch worden verstaan, maar leidden uiteindelijk tot vergaande speculaties over het ‘van eeuwigheid geboren worden’ van de Zoon uit de Vader.
6. Zoals blijkt uit Handelingen 2:35 en 36, 5:31 en 10:42, hield de ‘verhoging’ in, dat Jezus goddelijke waardigheid en macht verkreeg: God maakte Jezus tot Heer, leidsman, heiland en rechter. Dit wordt in Handelingen 3:13 de ‘verheerlijking’ van Jezus genoemd.
7. In Handelingen 10:41 wordt wel vermeld, dat Jezus uit de dood was ‘opgestaan’, maar blijkens de context duidelijk als resultaat van een daad van God (vgl. vers 40).
8. Zie Handelingen 17:3 en 1 Thessalonicenzen 4:14.
9. Deze voorstelling vinden we ook in de hellenistische traditie terug: zie Handelingen 7:56, EfeziŽrs 1:20, Kolossenzen 3:1, HebreeŽn 10:12, de apostolische geloofsbelijdenis en de belijdenis van Nicea-Constantinopel. Het is des te merkwaardiger, dat zich in die traditie tegelijk een trinitarische godsvoorstelling heeft kunnen ontwikkelen, want deze voorstellingen zijn niet met elkaar te verenigen (hoe kan iemand die God is, tegelijk aan Gods rechterhand zitten?).
10. In Handelingen 5:32 is mijns inziens niet bedoeld dat de Geest als getuige optreedt, maar dat de Geest in de door hem bewerkte gehoorzaamheid aan God in het leven van de gelovigen het bewijs levert, dat het evangelie waar is.
11. Vgl. ook Handelingen 8:16-17, waar kennelijk niet is bedoeld dat er iets mis was met de doop (in Handelingen 10:48 zou nog op dezelfde manier gedoopt worden), maar dat er iets bij de gelovigen ontbrak. Vermoedelijk lag het probleem in het ontbreken van oprechte bekering (vgl. Handelingen 8:21-22) en diende de handoplegging om de bekering te bezegelen.
12. Dit blijkt uit het feit dat Paulus omstreeks het jaar 55 nog alleen in de naam van Jezus doopte (Handelingen 19:5) en dat in de nieuwtestamentische brieven nergens iets blijkt van een doop in de naam van de Vader of in de naam van de heilige Geest.
13. In de oudere brieven van Paulus wordt steeds onderscheid gemaakt tussen Jezus en God en wordt de verrijzenis van Jezus niet beschreven als daad van Jezus zelf, maar als daad van God (zie bijvoorbeeld 1 Thessalonicenzen 1:10, Galaten 1:1, Galaten 4:4-5 en Romeinen 1:1-4). Ook de passages in die brieven waarin gesproken wordt over de zending van de Zoon (Galaten 4:4; Romeinen 8:3), impliceren geen pre-existentie en incarnatie en mogen gezien de context ook niet vanuit een verondersteld pre-existentie- en incarnatiegeloof gelezen worden.
14. In de literatuur wordt ook nog verwezen naar 2 KorinthiŽrs 13:13, Galaten 4:4-6 en Romeinen 9:5, maar uit die passages kan niet worden afgeleid, dat aan Jezus dezelfde goddelijke status werd toegeschreven als aan God de Vader. In 2 KorinthiŽrs 13:13 wordt Jezus wel in ťťn adem genoemd met God en de heilige Geest, maar dat impliceert op zich niet, dat Jezus dezelfde goddelijke status had als God de Vader. Integendeel, juist het feit dat Jezus uiteindelijk wordt onderscheiden van God (die hier niet ‘God de Vader’ wordt genoemd, maar enkel ‘God’) impliceert, dat hij niet kan worden vereenzelvigd met God. Hetzelfde geldt voor Galaten 4:4-6, waar gesproken wordt over de zending door God van zijn Zoon. Het feit dat daarbij uitdrukkelijk wordt vermeld, dat de Zoon geboren is uit een vrouw, impliceert bovendien, dat niet gedacht wordt aan een pre-existent bestaan, maar aan de zending van de mens Jezus. Dat Paulus Jezus in de periode waarin hij zijn brief aan de Galaten schreef, nog niet als pre-existent goddelijk beschouwde, blijkt ook uit Galaten 1:1, waarin hij de verrijzenis van Jezus beschrijft als een daad van God en niet als een daad van Jezus zelf. Dat in Galaten 4:6 wordt gesproken over ‘de Geest zijns Zoons’ is weliswaar opmerkelijk, maar impliceert niet, dat de Zoon kan worden vereenzelvigd met God. Jezus had immers na zijn hemelvaart de beschikking over de Geest gekregen (Handelingen 2:33). Op grond daarvan kon de Geest ook ‘Geest van de Messias’ genoemd worden, zonder dat Jezus daarmee vereenzelvigd werd met God. In Romeinen 9:5, tenslotte, lijkt sprake te zijn van een vereenzelviging van Jezus met God, maar dat is slechts schijn. Uit Romeinen 1:1-4 blijkt namelijk, dat Paulus ook in de periode waarin hij zijn brief aan de Romeinen schreef, onderscheid maakte tussen Jezus en God (die hier alweer niet ‘God de Vader’ wordt genoemd, maar enkel ‘God’) en Jezus nog niet als pre-existent goddelijk beschouwde. Romeinen 9:5 moet dan ook zo gelezen worden, dat het betrekkelijk voornaamwoord ‘die’ verwijst naar God en niet naar ‘de Christus’.
15. U. Schnelle, Einleitung in das Neue Testament, GŲttingen, 1999 (3e druk), p. 308.
16. Dat blijkt uit het feit dat Jezus volgens dit evangelie door ťťn van zijn volgelingen, Thomas, ‘mijn God’ genoemd zou zijn (Johannes 20:28) - een uitspraak die in joodse kringen als blasfemisch beschouwd zou worden.
17. Het ‘ontvangen’ in Handelingen 2:33 moet worden geÔnterpreteerd als ‘ter beschikking krijgen’, want Jezus zelf was al tijdens zijn leven op aarde vervuld geweest met de Geest. Kennelijk zag Petrus het zo, dat Jezus na de hemelvaart de macht kreeg om over de Geest te beschikken en deze macht gebruikte om de belofte na te komen, dat zijn volgelingen blijvend de kracht van de Geest zouden ontvangen.
18. Handelingen 2:38; 8:17.
19. Handelingen 10:44-48.
20. Handelingen 5:32; 15:8-9.
21. Handelingen 11:15-18.
22. Handelingen 2:2-4, 16-18.
23. Handelingen 10:44-46; 11:15-17; 15:8-9.
24. Handelingen 11:5-12.
25. Galaten 1:11-12.
26. Zie bijvoorbeeld Handelingen 15:1-34, Galaten 2:1-14 en Handelingen 21:17-26.
27. Het standpunt dat het na de komst van de Messias niet meer nodig was zich aan de Tōrā te houden, werd waarschijnlijk ingenomen door profeten in AntiochiŽ. Uit Handelingen 11:27-30 en 13:1-4 blijkt namelijk, dat profeten in de gemeente van AntiochiŽ een belangrijke rol speelden en dat ook Paulus en Barnabas daartoe behoorden. Het ging op het apostelconvent dan ook in wezen om een botsing tussen profetie en trouw aan de Tōrā. De nazoreeŽn (vertegenwoordigd door Jakobus) accepteerden de profetie van Petrus (Handelingen 15:14), maar alleen voor zover zij toetsing aan de Tōrā doorstond (Handelingen 15:15-21).
28. Zie bijvoorbeeld Handelingen 15:28 (uitleg van de Tōrā) en Handelingen 15:32 en 21:10-11 (versterking van de gelovigen).


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 14 januari 2011