שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

< Vorige pagina Volgende pagina >


4.1. De goddelijkheid van Jezus
4.2. Jezus als profeet
4.3. Jezus als Messias
4.4. Geboorte uit een maagd
4.5. Verrijzenis en hemelvaart
4.6. De daden van Jezus


4. Jezus

4.1. De goddelijkheid van Jezus

Zoals eerder vermeld, zagen de nazoreeŽn Jezus niet als een van eeuwigheid goddelijke persoon, maar als een mens die door God was uitverkoren om de Messias te zijn en die pas na zijn verrijzenis en hemelvaart goddelijk geworden was. Zij erkenden Jezus ongetwijfeld wel als de ‘Zoon van God’, maar deze aanduiding was voor hen niet meer dan een messiaanse titel. Er is in de nazoreÔsche passages over Jezus geen spoor van pre-existente goddelijkheid en incarnatie. Integendeel - de verkondiging, dat God Jezus tot Heer en Messias gemaakt heeft (Handelingen 2:36), impliceerde dat hij dat voorheen niet was geweest en dat hij dus niet van eeuwigheid goddelijk was. Pas na zijn verrijzenis en hemelvaart was Jezus tot goddelijkheid verheven. Dit hield niet in, dat hij gelijk geworden was aan God, maar dat hij goddelijke waardigheid en macht verkregen had en dat ieder mens aan Jezus dezelfde eerbied en gehoorzaamheid verschuldigd was als aan God zelf. (Zie 1.2.3).

Dat de nazoreeŽn niet geloofden, dat Jezus van eeuwigheid goddelijk was, wordt bevestigd door een citaat van HiŽronymus uit het Evangelie der hebreeŽn:

It came to pass that when the Lord came up from the water, the entire fountain of the Holy Spirit descended and rested on him; and it said to him, ‘My Son, in all the prophets I have been expecting you to come, that I might rest on you. For you are my rest, you are my firstborn Son, who rules forever.’
(HiŽronymus, Commentaar op Jesaja 11 [1])

Volgens dit citaat had God zelf naar de komst van Jezus uitgekeken, hetgeen onverenigbaar is met het beeld van een pre-existente goddelijke persoon, die voor zijn incarnatie van eeuwigheid bij God was en ook zelf God was [2].

De nazoreeŽn zagen Jezus dus als een mens - zij het een mens die tijdens zijn leven op aarde een heel bijzondere relatie met God had gehad en die na de volbrenging van zijn messiaanse opdracht tot een goddelijke status verheven was [3]. Ook de erkenning van de verhoogde Jezus als Heer [4] betekende niet, dat zij hem op gelijk niveau stelden met God [5].

Het is in dit verband opvallend, dat de passages in het Nieuwe Testament die erop zouden wijzen, dat Jezus in de vroeg-christelijke kerk aanbeden is (bijvoorbeeld Johannes 10:28, 1 KorinthiŽrs 1:2, Filippenzen 2:11 en Openbaring 5:12-13), alle gevonden worden in brieven van Paulus en johanneÔsche geschriften. Er zijn geen aanwijzingen, dat aanbidding van Jezus ook bij de nazoreeŽn voorkwam. Waarschijnlijk hebben zij zich strikt gehouden aan de joodse regel, dat alleen God zelf aanbeden mag worden. Zo is het gebed in Handelingen 4:24-30 uitdrukkelijk gericht tot God, de Vader.

Terug naar begin

4.2. Jezus als profeet

Evenals door de meeste joden in zijn tijd, werd Jezus door de nazoreeŽn gezien als een profeet. Dit blijkt uit de volgende passages:

Eťn dan van hen, genaamd Kleopas, antwoordde en zeide tot hem: “Zijt gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is?” En hij zeide tot hen: “Wat dan?” Zij zeiden tot hem: “Hetgeen geschied is met Jezus de nazoreeŽr, een man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor God en het ganse volk, [...].”
(Lucas 24:18-19)

Jezus, de nazoreeŽr, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, [...].
(Handelingen 2:22)

De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt.
(Handelingen 3:13)

Mozes toch heeft gezegd: “Jahweh God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid.”
(Handelingen 3:22-23)

God heeft in de eerste plaats voor u zijn knecht doen opstaan en hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.
(Handelingen 3:26)

Inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, Herodes zowel als Pontius Pilatus met de heidenen en de volken van Israel.
(Handelingen 4:27)

Jahweh, let op hun dreigingen en geef uw dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw woord te spreken, doordat Gij uw hand uitstrekt tot genezing, en dat tekenen en wonderen geschieden door de naam van uw heilige knecht Jezus.
(Handelingen 4:29-30)

Ten slotte kan in dit verband nog worden gewezen op de verdediging van Stefanus voor het Sanhedrin, waarin Jezus door Stefanus werd aangewezen als de door Mozes aangekondigde profeet (Handelingen 7:37). Stefanus behoorde niet tot de nazoreeŽn, maar tot de hellenisten [6], die eerder dan de nazoreeŽn geneigd waren de goddelijke status van de verhoogde Jezus te benadrukken (vgl. Handelingen 7:56). Als hij Jezus als een profeet beschouwde, dan de nazoreeŽn des te meer.

De profetische boodschap van Jezus zal volgens de nazoreeŽn waarschijnlijk vooral hebben bestaan in verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk van God (vgl. Lucas 4:43). Dit evangelie bestond uit aankondiging van het gericht, oproep tot geloof en bekering, onderwijzing in de ware betekenis van de Tōrā en verkondiging van de heilsboodschap van Jahweh voor allen die zich voor Hem verootmoedigden en het heil van Hem verwachtten. Zoals Jezus zelf had gezegd:

De Geest van Jahweh is op mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar van Jahweh.
(Lucas 4:18-19)

Terug naar begin

4.3. Jezus als Messias

Jezus was volgens de nazoreeŽn een profeet, maar tegelijk mťťr dan dat. Jezus verkondigde niet alleen het evangelie van het Koninkrijk van God, maar heeft het Koninkrijk tegelijk door zijn optreden getoond en het voor mensen mogelijk gemaakt er deel aan te krijgen. Dit blijkt onder meer uit de volgende passages:

Gij hebt de heilige en rechtvaardige verloochend.
(Handelingen 3:14)

De leidsman ten leven hebt gij gedood.
(Handelingen 3:15)

Dit [Jezus] is de steen, door u, de bouwlieden, versmaad, die nochtans tot hoeksteen is geworden.
(Handelingen 4:11)

Hem [Jezus] heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een leidsman en heiland om Israel bekering en vergeving van zonden te schenken.
(Handelingen 5:31)

Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt.
(Handelingen 7:52)

Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.
(Handelingen 7:56)

Het gedeelte van de Schrift, dat hij las, was dit: “Gelijk een schaap werd hij ter slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is tegenover de scheerder, zo doet hij zijn mond niet open. In de vernedering werd zijn oordeel weggenomen: wie zal zijn afkomst verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.” En de kamerling antwoordde, en zeide tot Filippus: “Ik vraag u, van wie zegt de profeet dit? Van zichzelf of van iemand anders?” En Filippus opende zijn mond, en uitgaande van dat schriftwoord, predikte hij hem Jezus.
(Handelingen 8:32-35)

Deze [Jezus] is aller Heer.
(Handelingen 10:36)

Hij [Jezus] heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.
(Handelingen 10:42)

Ik herinnerde mij het woord des Heren [Jezus], hoe hij zeide: [...].
(Handelingen 11:16)

Uit zijn [Davids] geslacht heeft God naar de belofte voor Israel de heiland Jezus doen komen.
(Handelingen 13:23)

De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen en de rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen.
(Handelingen 22:14)

Zoals uit deze passages blijkt, zagen de nazoreeŽn Jezus niet alleen als een profeet, maar ook als de heilige en rechtvaardige, de mens die in zijn eigen voorbeeldige leven de belichaming was van het komende Koninkrijk van God, de leidsman op de weg van het Koninkrijk - voor de nazoreeŽn was het Koninkrijk een weg - en de door de profeten aangekondigde knecht van Jahweh, die door zijn lijden de zonde van het volk zou verzoenen en de relatie met God zou herstellen.

Jezus had de komst van het Koninkrijk niet alleen aangekondigd, maar hij had die komst zelf tot stand gebracht, al moest de volkomen vervulling daarvan nog komen. Daarin was Jezus mťťr dan Johannes. Ook andere metaforen (zoals ‘hoeksteen’, ‘Zoon des mensen’, ‘heiland’, ‘Heer’ en ‘Zoon van God’) en de leer dat Jezus was aangesteld tot rechter over alle mensen, wijzen op deze messiaanse kant van Jezus' missie: Jezus was de beloofde Messias, die het Koninkrijk van God zou vestigen en de machten van het kwaad zou overwinnen.

Dat Jezus door de nazoreeŽn werd gezien als de Messias, blijkt met name uit de volgende passages:

Dus moet ook het ganse huis Israels zeker weten, dat God hem Ťn tot Here Ťn tot Messias gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
(Handelingen 2:36)

Zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat Jezus de Messias is.
(Handelingen 5:42)

Het blijkt verder uit de vele plaatsen waar Jezus uitdrukkelijk ‘Messias’ genoemd wordt:

Daar hij nu [David] een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Messias.
(Handelingen 2:31)

Zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Messias moest lijden.
(Handelingen 3:18)

Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van Jahweh, en Hij de Messias, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.
(Handelingen 3:19-20)

[...] door de naam van Messias Jezus [...].
(Handelingen 4:10)

Inderdaad zijn in deze stad vergaderd tegen uw heilige knecht Jezus, die Gij gezalfd hebt, [...]. (‘Messias’ = gezalfde)
(Handelingen 4:27)

Toen zij echter geloof schonken aan Filippus, die het evangelie van het Koninkrijk Gods en van de naam van Messias Jezus predikte, [...].
(Handelingen 8:12)

Gij weet van de dingen, die geschied zijn door het gehele joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop, die Johannes verkondigde, van Jezus van Nazareth, hoe God hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. (‘Messias’ = gezalfde)
(Handelingen 10:37-38)

Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here, Messias Jezus, [...].
(Handelingen 11:17)

Ten slotte kan in dit verband nog worden gewezen op het optreden van Paulus in Damascus, kort na zijn bekering. Hoewel Paulus in afwijking van de nazoreeŽn meer nadruk legde op het feit dat Jezus de Zoon van God was (Handelingen 9:20), veroorzaakte hij tevens onrust onder de joden door met argumenten aan te tonen, ‘dat Jezus de Messias is’ (Handelingen 9:22). Paulus week op andere punten van de nazoreÔsche leer af, maar niet in zijn erkenning van Jezus als de Messias.

Dat ook de latere nazoreeŽn tegenover het orthodoxe jodendom vasthielden aan de leer dat Jezus de Messias was, blijkt uit tal van uitspraken van christelijke auteurs uit de eerste eeuwen na Christus - ook van auteurs die de nazoreeŽn als ketters beschouwden [7]. Deze auteurs bevestigen ook, dat de nazoreeŽn Jezus erkenden als de Zoon van God [8], al werd die benaming door de nazoreeŽn niet in ontologische zin opgevat, maar als een messiaanse titel.

Met betrekking tot Jezus' messiasschap leerden de nazoreeŽn, dat God hem tot Messias had gemaakt [9] en dat Hij hem gezalfd had met de heilige Geest en met kracht [10]. De daden, wonderen en tekenen die Jezus tijdens zijn leven op aarde had verricht, waren daden van God waarmee Hij bevestigd had, dat Jezus zijn Messias was [11]. Hetzelfde gold voor de opwekking van Jezus en zijn hemelvaart [12]. Het messiasschap van Jezus was dus niet iets waarmee Jezus om zo te zeggen geboren was, maar waartoe hij was aangesteld en waarin hij versterkt en bevestigd moest worden. De uiteindelijke bevestiging kreeg Jezus bij zijn opwekking en hemelvaart [13].

Terug naar begin

4.4. Geboorte uit een maagd

Er zijn geen aanwijzingen, dat de nazoreeŽn in de periode kort na de hemelvaart van Jezus geleerd zouden hebben, dat Jezus uit een maagd geboren was. Dit kan op diverse manieren worden verklaard.

Eťn verklaring is, dat de tijdgenoten van Jezus heel goed wisten dat hij gewoon een natuurlijke zoon van Jozef was geweest, en dat pas later, toen de meesten van zijn tijdgenoten overleden waren, de legendarische overlevering kon ontstaan dat hij uit een maagd geboren was. Dat zou ook verklaren, dat in de brieven van Paulus en zelfs in de proloog van het evangelie van Johannes geen spoor van een geboorte uit een maagd te vinden is. Een probleem blijft daarbij echter wel, hoe de overlevering dat Jezus uit een maagd geboren is, in het evangelie van MattheŁs terechtgekomen kan zijn. Dat evangelie is immers waarschijnlijk van joods-christelijke oorsprong, en juist onder de joodse christenen zal de leer van de ‘maagdelijke geboorte’ weerstand hebben ontmoet en niet zijn geloofd als het niet overtuigend door getuigenbewijs was ondersteund.

Een andere verklaring is, dat het onder de nazoreeŽn - waartoe ook Maria behoorde - algemeen bekend geweest was dat Jezus uit een maagd geboren was, maar dat dit feit aanvankelijk om een of andere reden niet belangrijk gevonden werd. Wellicht meende men dat een te sterke nadruk op de wonderlijkheid van Jezus' persoon en daden de aandacht zou kunnen afleiden van datgene waar het om ging: het evangelie van het komende Koninkrijk van God. De overlevering zou dan via het Evangelie der hebreeŽn in het evangelie van MattheŁs gekomen kunnen zijn, en via het getuigenis van Maria in het evangelie van Lucas. Een probleem blijft daarbij echter wel, dat in het evangelie van Johannes geen spoor van een ‘maagdelijke geboorte’ te vinden is. Als Jezus werkelijk uit een maagd geboren was geweest, valt het moeilijk te begrijpen waarom Johannes daar - in tegenstelling tot MattheŁs en Lucas - geen melding van maakt, temeer omdat dat zijn boodschap van de goddelijke oorsprong van Jezus zou hebben versterkt.

Hoe dit ook zij, uit enkele uitspraken van Origenes en HiŽronymus kan worden afgeleid, dat in elk geval de latere nazoreeŽn hebben geloofd, dat Jezus uit een maagd geboren was. Zo vermeldt Origenes over de ebionieten:

These are the twofold sect of Ebionites, who either acknowledge with us that Jesus was born of a virgin, or deny this, and maintain that He was begotten like other human beings.
(Origenes, Contra Celsum, V, 61 [
14])

Hoewel Origenes hier over twee soorten ebionieten spreekt, is het aannemelijk dat hij met de eerste de nazoreeŽn bedoelt. Eusebius vermeldt over de ebionieten immers uitdrukkelijk, dat zij geloofden dat Jezus een natuurlijke zoon van Jozef was geweest [15]. Dat de nazoreeŽn geloofden dat Jezus uit een maagd geboren was, wordt bevestigd door HiŽronymus:

In our own day there exists a sect among the Jews throughout all the synagogues of the East, which is called the sect of the Minei, and is even now condemned by the Pharisees. The adherents to this sect are known commonly as Nazarenes; they believe in Christ the Son of God, born of the Virgin Mary; and they say that He who suffered under Pontius Pilate and rose again, is the same as the one in whom we believe.
(HiŽronymus, Brieven aan Augustinus, 112, IV [16])

De beschrijving van HiŽronymus is te meer opmerkelijk, omdat hij de nazoreeŽn als ketters beschouwde en dus geen reden had om aan de nazoreeŽn meer rechtzinnigheid toe te schrijven dan zij bezaten. Het mag dan ook als vaststaand worden aangenomen, dat de nazoreeŽn - anders dan de ebionieten - geloofden dat Jezus uit een maagd geboren was. Hoe zij dat hebben opgevat, is overigens niet met zekerheid vast te stellen. Waarschijnlijk geloofden zij, dat God bij machte was om zelfs uit een maagd een kind geboren te laten worden, maar hield dat voor hen niet in, dat Jezus een soort halfgod was. Ook al was Jezus uit een maagd geboren, hij bleef voor de nazoreeŽn in alle opzichten een mens.

Terug naar begin

4.5. Verrijzenis en hemelvaart

De nazoreeŽn leerden dat Jezus onder Pontius Pilatus gekruisigd was, maar op de derde dag daarna uit de dood verrezen was, gedurende enige dagen aan zijn naaste volgelingen verschenen was en ten slotte naar de hemel was opgevaren. Dit blijkt uit de volgende passages:

Jezus, de nazoreeŽr, een man u van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door hem in uw midden verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood. God evenwel heeft hem opgewekt, want Hij verbrak de weeŽn van de dood, naardien het niet mogelijk was, dat hij door hem werd vastgehouden.
(Handelingen 2:22-24)

Daar hij nu [David] een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Messias, dat hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. Nu hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort. Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt zelf: “Jahweh heeft gezegd tot mijn Here: Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten.” Dus moet ook het ganse huis Israels zeker weten, dat God hem Ťn tot Here Ťn tot Messias gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.
(Handelingen 2:30-36)

De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen, heeft zijn knecht Jezus verheerlijkt, die gij hebt overgeleverd en verloochend ten overstaan van Pilatus, ofschoon deze oordeelde, dat men hem moest loslaten. [...] En de leidsman ten leven hebt gij gedood, maar God heeft hem opgewekt uit de doden, waarvan wij getuigen zijn.
(Handelingen 3:13-15)

Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van Jahweh, en Hij de Messias, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher.
(Handelingen 3:19-21)

[...] door de naam van Messias Jezus, de nazoreeŽr, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden, [...].
(Handelingen 4:10)

De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een leidsman en heiland om Israel bekering en vergeving van zonden te schenken.
(Handelingen 5:30-31)

Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israels om vrede te verkondigen door Messias Jezus. Deze is aller Heer.
(Handelingen 10:34-36)

Hem heeft God ten derde dage opgewekt en heeft gegeven, dat hij verscheen, niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen, die door God tevoren gekozen waren, aan ons, die met hem gegeten en gedronken hebben, nadat hij uit de doden was opgestaan; en hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.
(Handelingen 10:40-42)

In our own day there exists a sect among the Jews throughout all the synagogues of the East, which is called the sect of the Minei, and is even now condemned by the Pharisees. The adherents to this sect are known commonly as Nazarenes; they believe in Christ the Son of God, born of the Virgin Mary; and they say that He who suffered under Pontius Pilate and rose again, is the same as the one in whom we believe.
(HiŽronymus, Brieven aan Augustinus, 112, IV [
17])

Uit de aangehaalde passages in de Handelingen der apostelen blijkt verder, dat de nazoreeŽn zowel de verrijzenis als de hemelvaart van Jezus zagen als een daad van God. Jezus was niet op eigen kracht uit de dood opgestaan. Het was God, die hem uit de dood had opgewekt (2:24, 32; 3:15; 4:10; 5:30; 10:40). Ook Paulus was deze opvatting toegedaan [18]. Evenzo was Jezus ook niet op eigen kracht naar de hemel gevaren, maar door God verhoogd (2:33; 5:31) en in de hemel opgenomen (3:21). Zowel de verrijzenis van Jezus als zijn hemelvaart was een bevestiging van Jezus' messiasschap: door Jezus uit de dood op te wekken en in de hemel op te nemen, heeft God bevestigd, dat Jezus zijn Messias was (2:24-36; 3:13-15).

De nazoreeŽn zagen de hemelvaart van Jezus als een soort troonsbestijging, waarbij Jezus door God tot goddelijke status verheven werd. Tijdens zijn leven op aarde was Jezus niet meer geweest dan een mens, die door God was uitverkoren om zijn Messias te zijn. Door zijn hemelvaart had Jezus echter goddelijke waardigheid en macht verkregen, waardoor hij voortaan op dezelfde wijze als God geŽerd en geprezen mocht worden (2:33-36; 3:13; 5:31; 10:36 [19]), de beschikkingsmacht over de heilige Geest verkregen had (2:33), Heer over alle mensen geworden was (10:36) en uiteindelijk het gericht zou houden over levenden en doden (10:42).

De hemelvaart van Jezus was volgens de nazoreeŽn het begin van een noodzakelijke tussenperiode, totdat de dag zou aanbreken waarop God alle dingen weer nieuw zou maken (3:21). Aanvankelijk meenden de nazoreeŽn, dat deze tussenperiode diende om het joodse volk de gelegenheid te geven zich te bekeren. Zodra het volk zich bekeerd zou hebben, zou Jezus wederkomen om zijn messiaanse taak te voltooien, de goddelozen onder het gericht te brengen en het Koninkrijk van God te vestigen (3:19-20). Later is deze visie in die zin verruimd, dat de tussenperiode ook diende om het evangelie aan de volken te verkondigen.[20]

Terug naar begin

4.6. De daden van Jezus

De daden van Jezus werden door de nazoreeŽn beschreven in termen van verkondiging en verlossing.

4.6.1. VERKONDIGING

Jezus had het evangelie van het Koninkrijk van God verkondigd [21]. Dit evangelie bestond uit aankondiging van het gericht, oproep tot geloof en bekering, onderwijzing in de ware betekenis van de Tōrā en verkondiging van de heilsboodschap van Jahweh voor allen die zich voor Hem verootmoedigden en het heil van Hem verwachtten. Hij was door God gezonden om aan Israel ‘vrede’ te verkondigen [22]. Of in de woorden van Jezus zelf:

De Geest van Jahweh is op mij, daarom, dat Hij mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar van Jahweh.
(Lucas 4:18-19)

Jezus had echter niet alleen het evangelie van het Koninkrijk van God gebracht, maar ook zelf in zijn leven laten zien wat het betekende, God in alles gehoorzaam te zijn. Hij werd daarom de ‘heilige’ en de ‘rechtvaardige’ genoemd [23]. Als leraar en voorbeeld voor zijn volgelingen was hij de ‘leidsman ten leven’ [24]. Doordat hij zelf de belichaming van het komende Koninkrijk was, had hij de komst van dat Koninkrijk niet alleen aangekondigd, maar zelf tot stand gebracht, al moest de volkomen vervulling daarvan nog komen.

4.6.2. VERLOSSING

Het tweede aspect van Jezus' daden - de verlossing - had betrekking op de verwerkelijking van het heil. Jezus had het heil niet alleen verkondigd, maar ook mogelijk gemaakt. Hij had door zijn leer en leven de mogelijkheid geschapen om verlost te worden van de schuld der zonde en deel te krijgen aan het Koninkrijk van God. Dit blijkt uit de volgende passages:

Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Messias Jezus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.
(Handelingen 2:38)

God heeft in de eerste plaats voor u zijn knecht doen opstaan en hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.
(Handelingen 3:26)

De behoudenis is in niemand anders, want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden.
(Handelingen 4:12)

Hem [Jezus] heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een leidsman en heiland om Israel bekering en vergeving van zonden te schenken.
(Handelingen 5:31)

Door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden.
(Handelingen 15:11)

Zoals uit deze passages blijkt, had Jezus het heil niet alleen verkondigd, maar het ook geschonken. Jezus had de mogelijkheid geschapen om door geloof en bekering vergeving der zonden te verkrijgen, waardoor men ‘behouden’ kon worden, dat wil zeggen niet door het komende gericht van God getroffen zou worden (2:38; 4:12; 5:31; 15:11). Daarom werd Jezus de ‘heiland’ genoemd (5:31). Hij was door God gezonden om zegen te brengen, in plaats van de vloek van het gericht (3:26). Het was door de genade van Jezus, dat degenen die in hem geloofden, behouden werden (15:11). En het was door zijn heilige Geest, dat zij kracht kregen om te leven in gehoorzaamheid aan God en overeenkomstig de normen van zijn Koninkrijk (2:38).

Terug naar begin

< Vorige pagina Volgende pagina >



1. B.D. Ehrman, Lost Scriptures: Books that did not make it into the New Testament, Oxford, 2003, p. 16.
2. Het is aannemelijk, dat de aangehaalde passage uit het Evangelie der hebreeŽn de opvatting van de nazoreeŽn uitdrukt, aangezien HiŽronymus vlak daarvoor uitdrukkelijk naar de nazoreeŽn verwijst.
3. Zelfs de wonderen waren naar de opvatting van de nazoreeŽn geen tekenen van een goddelijke macht die Jezus al tijdens zijn leven op aarde bezeten zou hebben, maar daden van God (Handelingen 2:22). Ook sommige oudtestamentische profeten hadden wonderen verricht.
4. Bijvoorbeeld in Handelingen 2:36; 7:59-60; 9:17, 27; 10:36; 11:17; 15:11, 26.
5. De aanspreekvorm ‘heer’ (kurie) impliceerde geen goddelijkheid, maar ondergeschiktheid (zie bijvoorbeeld MattheŁs 13:27; 25:24; Johannes 20:15). Zij kon zelfs als loutere beleefdheidsvorm worden gebruikt (Johannes 12:21). Dat het woord uitsluitend voor God mocht worden gebruikt (A. McGrath, Christian Theology, Oxford, 1997 (2e druk), p. 328), is dan ook niet juist. Hetzelfde geldt voor de stelling van Van Genderen en Velema, dat de christenen, door Jezus ‘Heer’ te noemen, de oudtestamentische naam van God gebruikten en daarmee zijn godheid beleden (J. van Genderen en W.H. Velema, Beknopte gereformeerde dogmatiek, Kampen, 1993 (2e druk), p. 409).
6. Zie Handelingen 6:1-6.
7. Zie Justinus Martyr, Dialogus cum Tryphone, 46 en 47; Origenes, Contra Celsum, V, 61; Eusebius, Historia ecclesiastica, IV, 5; Epifanius, Panarion, 1 en 29; HiŽronymus, Commentaar op Jesaja 8 en Brieven aan Augustinus, 112, IV; Theodoret, Haereticorum fabularum compendium, 2, 2. Epifanius, HiŽronymus en Theodoret beschouwden de nazoreeŽn als ketters, omdat zij vasthielden aan de Tōrā en de joodse gebruiken. Zij moesten echter erkennen, dat de nazoreeŽn hierin van de joden verschilden, dat zij geloofden in Jezus als de Messias.
8. Zie Epifanius, Panarion, 1 en 29; HiŽronymus, Commentaar op Jesaja 11, Commentaar op Jesaja 29, Commentaar op Jesaja 31, en Brieven aan Augustinus, 112, IV.
9. Handelingen 2:36.
10. Handelingen 10:38.
11. Handelingen 2:22, 36.
12. Handelingen 2:24-36.
13. Vandaar de uitspraak van Paulus in Romeinen 1:4, dat Jezus door zijn opstanding ‘verklaard was Gods Zoon te zijn in kracht’. Deze gedachte past niet goed in Paulus' eigen leer en is waarschijnlijk ontleend aan de nazoreeŽn.
14. Ph. Schaff, Ante-Nicene Fathers (ed. Roberts-Donaldson), Volume IV, www.ccel.org/ccel/schaff/anf04.html.
15. Eusebius, Historia ecclesiastica, III, 27, en VI, 17. Weliswaar maakt ook Eusebius melding van ŗndere ebionieten, die wel erkenden dat Jezus uit een maagd geboren was (Historia ecclesiastica, III, 27), maar hij lijkt daar - evenals Origenes - de nazoreeŽn met ebionieten verward te hebben.
16. Ph. Schaff, Nicene and Post-Nicene Fathers, Series 1, Volume I, www.ccel.org/ccel/schaff/npnf101.html.
17. Ph. Schaff, Nicene and Post-Nicene Fathers, Series 1, Volume I, www.ccel.org/ccel/schaff/npnf101.html.
18. Zie Handelingen 13:30-37. Ook in zijn brieven spreekt Paulus over de verrijzenis van Jezus als een daad van God.
19. In Handelingen 2:36 en 10:36 ligt in het woord ‘Heer’ goddelijkheid besloten.
20. Zie bijvoorbeeld Handelingen 11:18 en 15:7-9. Vgl. Romeinen 11:11-24.
21. Vgl. Lucas 4:43.
22. Handelingen 10:36.
23. Handelingen 3:14.
24. Handelingen 3:15; 5:31.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 14 januari 2011