שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

< Vorige pagina Volgende pagina >


7. Wederkomst en oordeel

De nazoreeŽn waren van meet af gericht op de eindtijd, de komst van de ‘dag van Jahweh’. Daar hadden zij ook hun naam (nātserājē = de wachters) aan te danken. In elk geval in de eerste decennia na de hemelvaart van Jezus geloofden zij, dat het gericht aanstaande was. Dit blijkt uit de volgende passages:

Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet JoŽl: “En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag van Jahweh komt. En het zal zijn, dat al wie de naam van Jahweh aanroept, behouden zal worden.”
(Handelingen 2:16-21)

Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht van Jahweh, en Hij de Messias, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; hem moest de hemel opnemen en tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher. Mozes toch heeft gezegd: “Jahweh God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid.” En al de profeten, van Samuel af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd.
(Handelingen 3:19-24)

Hij [Jezus] heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.
(Handelingen 10:42)

Aanvankelijk beschouwden de nazoreeŽn hun eigen tijd dus als de laatste dagen, de dagen die onmiddellijk voorafgingen aan het gericht. Zij geloofden dat Jezus spoedig zou wederkomen en dan het gericht dat door de profeten was aangekondigd, zou voltrekken. Dat zou de ‘dag van Jahweh’ zijn, waarop God alle dingen weer nieuw zou maken en allen die niet naar de Messias hebben willen luisteren, zou uitroeien.

Naarmate de tijd verstreek en de wederkomst van Jezus uitbleef, hebben de nazoreeŽn waarschijnlijk - evenals de andere christenen - de verwachting van een spoedige wederkomst laten varen. Zij bleven echter geloven, dat Jezus eens zou wederkomen om de levenden en de doden te oordelen en alle dingen nieuw te maken. Daarmee samenhangend, geloofden zij in een opstanding der doden. Dat ook de latere nazoreeŽn leerden dat Jezus eens zou wederkomen, dat de doden dan zouden opstaan, dat de wereld door Jezus geoordeeld zou worden en dat hij bij zijn wederkomst het Koninkrijk van God voor eeuwig zou vestigen, wordt bevestigd door uitspraken van Justinus Martyr en Epifanius [1].

Terug naar begin

< Vorige pagina Volgende pagina >



1. Zie Justinus Martyr, Dialogus cum Tryphone, 46; Epifanius, Panarion, 29.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 14 januari 2011