שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

De nazoreeŽn

De religieuze gemeenschap waartoe Jezus behoorde

door J.C. Plooy

Inleiding
De nazoreeŽn
Oorsprong van de nazoreeŽn
De nazoreeŽn in Jezus' tijd
Links

Inleiding

De voorstelling die christenen meestal van Jezus hebben, is die van een godheid die op een of andere mysterieuze manier de vorm heeft aangenomen van een menselijk embryo in de baarmoeder van zijn moeder Maria, in de kerstnacht geboren is, een tijdlang op aarde geleefd heeft, aan een kruis is omgebracht en uiteindelijk, na uit de dood verrezen te zijn, weer als goddelijk wezen naar de hemel teruggekeerd is. Daarbij lijkt het erop, dat de menselijkheid van Jezus niet meer geweest is dan een uiterlijke vorm - zoiets als een jas die hij slechts voor de duur van zijn tijdelijk verblijf op aarde heeft aangetrokken, om hem meteen daarna weer uit te doen.

Deze voorstelling van zaken blijkt bijvoorbeeld uit de overtuiging van veel christenen, dat Jezus beschikte over een unieke kennis van God, die hij zou hebben ontleend aan zijn goddelijk bestaan voordat hij mens geworden was, en dat zijn leer gebaseerd was op een unieke goddelijke openbaring, zonder enige invloed van de vele religieuze tradities in zijn tijd.

Wie de menselijkheid van Jezus echter volkomen serieus neemt, krijgt oog voor de menselijke aspecten in de leer van Jezus. Zoals elke joodse jongen van zijn tijd, heeft Jezus een godsdienstige opvoeding genoten in de religieuze gemeenschap waartoe zijn ouders en leermeesters behoorden. Dat hij later zijn eigen weg gegaan is, doet daar niets aan af. De invloed van de religieuze gemeenschap waarin hij is opgegroeid, blijkt niet alleen uit zijn woordkeus en uit de metaforen en voorstellingen die hij gebruikte, maar ook uit een aantal belangrijke elementen van zijn leer: zijn uitleg van de Tōrā, zijn overtuiging dat God spoedig zijn koninkrijk op aarde zou vestigen, zijn waarschuwing voor het ultieme oordeel over de zondige wereld en zijn oproep tot een leven in overeenstemming met de Tōrā.

Om de leer van Jezus in de juiste context te verstaan, moeten we dan ook aandacht schenken aan de religieuze gemeenschap waaruit Jezus is voortgekomen en die zijn manier van denken en zijn overtuigingen ingrijpend heeft beÔnvloed: de nazoreeŽn.

Terug naar begin

De nazoreeŽn

Er zullen denk ik maar weinig mensen zijn die weten, dat de eerste aanhangers van het christelijk geloof zich ‘nazoreeŽn’ noemden. Zoals blijkt uit Handelingen 11:26, werden de volgelingen van Jezus pas na vele jaren ‘christenen’ genoemd, en dan nog alleen buiten Palestina. Hun joodse geloofsgenoten in Palestina heetten ‘nazoreeŽn’ (Handelingen 24:5) en behielden die naam daar tot het jaar 135, toen de nazoreeŽn evenals de andere joden door de Romeinen uit Judea verdreven werden [1]. Tot in de 5e eeuw wordt in historische bronnen melding gemaakt van een joods-christelijke sekte van nazoreeŽn in het gebied ten oosten en noorden van Palestina (het huidige JordaniŽ en SyriŽ) [2]. Daarna zijn de nazoreeŽn in vergetelheid geraakt en aan de anti-joodse dogmatiek van de christelijke orthodoxie ten onder gegaan.

De latere nazoreeŽn maakten evenals de ebionieten deel uit van de stroming in het vroege christendom die bekend staat als het ‘joodse christendom’. De bijzonderheid van deze stroming was, dat zij het geloof in Jezus als de Messias combineerde met naleving van de godsdienstige voorschriften van het jodendom, zoals het sabbatsgebod, de besnijdenis, de voedingsvoorschriften, de reinheids- en heiligingsgeboden en de religieuze feesten. [3]

Sommige kerkhistorici menen, dat de joods-christelijke sekte der nazoreeŽn waarover we in de historische bronnen worden geÔnformeerd, pas na de eerste joodse opstand tegen de Romeinen (66-70) is ontstaan. Er zijn echter goede redenen om aan te nemen, dat zij rechtstreeks is voortgekomen uit de christelijke gemeenschap in Judea, die in de jaren 35-62 onder leiding gestaan had van Jakobus de Rechtvaardige, een broer van Jezus, en in de winter van 66-67, kort na het uitbreken van de eerste joodse opstand tegen de Romeinen, gevlucht was naar de stad Pella in het huidige JordaniŽ:

  • Ten eerste is het niet aannemelijk, dat een joods-christelijke sekte die pas na de opstand buiten Palestina gesticht werd, zich hetzelfde zou noemen als de christelijke gemeenschap in Judea, die al lange tijd bekend geweest was als ‘de nazoreeŽn’ (Handelingen 24:5). Zoals ook bij andere sekten het geval is, zou deze sekte genoemd zijn naar de stichter of naar een kenmerkende eigenschap. Het gebruik van de naam ‘nazoreeŽn’ zou misverstand hebben gewekt, als het niet om dezelfde groepering ging. Er zouden dan zeker door de judeese nazoreeŽn pogingen gedaan zijn om dat misverstand uit de wereld te helpen. We vinden in de bronnen echter geen enkele aanwijzing, dat er over de naam van de latere nazoreeŽn iets te doen geweest is.
  • Ten tweede kwam het geloof van de latere nazoreeŽn inhoudelijk overeen met dat van de christelijke gemeenschap in Judea in de periode die aan de opstand voorafging. Ook die gemeenschap zag in Jezus niet een incarnatie van God, maar een messiaanse profeet, die pas na zijn dood tot goddelijkheid verheven was (vgl. Handelingen 2:22-36). En ook die gemeenschap combineerde het geloof in Jezus als de Messias met naleving van de godsdienstige voorschriften van het jodendom (vgl. Handelingen 21:17-26). Er bestond dus inhoudelijk geen verschil van opvatting tussen de christelijke gemeenschap in Judea en de latere nazoreeŽn.
  • Ten derde vermeldt de oud-christelijke kerkhistoricus Eusebius, dat de christelijke gemeenschap van Jeruzalem kort na het uitbreken van de opstand gevlucht was naar Pella, een stad ten oosten van de Jordaan [4]. Dit wordt bevestigd door de mededeling van de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus, dat grote groepen joden in de winter van 66-67 de stad Jeruzalem waren ontvlucht [5]. Hoewel Josefus de christenen niet uitdrukkelijk vermeldt, is het zeer waarschijnlijk dat de christenen tot de groepen behoorden die de wijk namen om aan de oorlogsdreiging te ontkomen. Zij hadden zich immers steeds van de opstand gedistantieerd. Het is geloofwaardig dat de christenen gevlucht zijn naar het gebied ten oosten van de Jordaan, omdat dat gebied waarschijnlijk de enige plaats was waar zij zich in veiligheid konden brengen. Bovendien bestonden daar vermoedelijk al gemeenschappen die het geloof in Jezus als de Messias hadden aangenomen of er op zijn minst mee sympathiseerden [6].
  • Ten vierde vermeldt de kerkvader Epifanius, dat zowel de latere nazoreeŽn als de ebionieten hun oorsprong hadden in Pella [7]. Dit maakt het in combinatie met het vorige punt aannemelijk, dat beide sekten zijn voortgekomen uit de christenen die kort voor het jaar 70 vanuit Judea naar die stad waren uitgeweken [8].
Dat Jakobus de Rechtvaardige, een broer van Jezus, omstreeks het jaar 35 de leider van de nazoreeŽn geworden is, staat historisch vast [9]. Verder staat vast, dat ook Jezus zelf onder de JudeeŽrs bekend geweest is als ‘de nazoreeŽr’ en dus niet alleen tot de nazoreeŽn heeft behoord, maar daar zelfs - evenals zijn broer - een vooraanstaande positie in heeft ingenomen [10]. Het laatste geldt ook voor Johannes de Doper [11]. Jezus was aanvankelijk een medewerker van Johannes en heeft de rol van profetisch woordvoerder pas later, toen Johannes gevangen gezet was en hijzelf was uitgeweken naar Galilea, van hem overgenomen (vgl. Johannes 3:22-24, Marcus 1:14).

Dit alles wijst erop dat de gemeenschap der nazoreeŽn in Judea - waaruit de christenen zijn voortgekomen - niet pas op de Pinksterdag in het jaar 33 is ontstaan, maar al veel langer bestond. De christelijke gemeenschap der nazoreeŽn waarvan Jakobus de Rechtvaardige enkele jaren na de Pinksterdag de leider zou worden, was een voortzetting van een joodse gemeenschap van nazoreeŽn die al geruime tijd voor het ontstaan van het christendom bestond en waartoe behalve Jakobus ook Johannes de Doper en Jezus hebben behoord [12]. Dat was ook de reden waarom de christenen in Judea niet ‘christenen’, maar ‘nazoreeŽn’ genoemd werden: dat was de naam waaronder zij al generaties lang bekend waren.

Natuurlijk werden de voor-christelijke nazoreeŽn nog niet gekenmerkt door een geloof in Jezus als de Messias, want dat kwam pas op de Pinksterdag. Hetzelfde geldt voor de nieuwe interpretatie die Jezus aan de Tōrā gaf. Afgezien van die vernieuwingen, kwam het geloof van de voor-christelijke nazoreeŽn echter overeen met dat van de christelijke. Zij ontleenden hun naam (aramees: nātserājē, Ďde wachtersí) aan het feit dat zij als wachters uitzagen naar de komst van de Messias en het Koninkrijk van God en in de stellige verwachting leefden, dat deze ophanden was [13]. Het was die spiritualiteit, die Johannes de Doper en Jezus gedreven heeft tot de profetie van het evangelie van het Koninkrijk van God, en waaruit na hen het christendom is ontstaan.

Terug naar begin

Oorsprong van de nazoreeŽn

Inleiding

De eerste vermelding van nazoreeŽn in een historisch document vinden we in het evangelie van Lucas, en wel in de beschrijving van de wijding van Jezus. Volgens de Tōrā moest elke eerste zoon in een gezin worden gewijd aan Jahweh (Exodus 13:2). Omdat Jezus de eerste zoon van Jozef en Maria was, gold dat dus ook voor hem. De wijding vond plaats in de tempel van Jeruzalem, aan het eind van het jaar 4 v.Chr. Zoals blijkt uit Lucas 2:22-39, werd het ritueel uitgevoerd door de priester Simeon en de profetes Hanna, die geestelijk leiders waren van een gemeenschap van gelovigen in Judea die ‘de verlossing van Jeruzalem verwachtten’ [14]. Zoals ik elders heb aangetoond, is het aannemelijk dat het daarbij ging om een gemeenschap van nazoreeŽn en dat ook Jozef en Maria daartoe behoorden [15]. Er heeft dus in elk geval in het jaar 4 v.Chr. in Judea een gemeenschap van nazoreeŽn bestaan.

Helaas beschikken we niet over informatie die ons in staat stelt met zekerheid vast te stellen, hoeveel eerder deze gemeenschap is ontstaan, wat daarvan de reden was en hoe zij zich verhield tot de andere joodse groeperingen in die tijd. Toch betekent dit niet, dat we daar helemaal niets over kunnen zeggen. Uit datgene, wat we weten over het leven, de opvattingen en de denkwereld van de nazoreeŽn in Jezus' tijd, kunnen we namelijk belangrijke aanwijzingen afleiden, die ons in staat stellen een hypothese over het ontstaan van de nazoreeŽn te formuleren, waarvan de waarheid weliswaar niet vaststaat, maar wel zeer waarschijnlijk is.

Volgens deze hypothese zijn de nazoreeŽn omstreeks het begin van de 1e eeuw v.Chr. ontstaan uit een beweging van chasidische gelovigen die in religieus opzicht verwant waren aan de essenen en de farizeeŽn, maar op een aantal belangrijke punten - met name met betrekking tot de verwachting van het Koninkrijk van God, de visie op de Tōrā, de houding tegenover buitenstaanders en de persoonlijke geloofsbeleving - van hen verschilden.

Argumenten daarvoor zijn de volgende.

  • Ten eerste kwamen de opvattingen van de nazoreeŽn overeen met die van de essenen en de farizeeŽn op punten waar dezen verschilden van bijvoorbeeld de sadduceeŽn. Zo blijkt uit het feit dat Jezus de hebreeuwse Bijbel ‘de Wet en de Profeten’ noemde, dat de nazoreeŽn niet alleen de Tōrā (‘Wet’), maar ook de Nevī’īm (‘Profeten’) als heilige Schrift accepteerden. Daarin stemden zij overeen met de essenen en de farizeeŽn en verschilden zij van de sadduceeŽn, die alleen de Tōrā erkenden als heilige Schrift [16]. Andere opvattingen die de nazoreeŽn deelden met de essenen en de farizeeŽn en waarin zij verschilden van de sadduceeŽn, betroffen de verwachting van de Messias, de leer van de wederopstanding der doden en de nadruk op persoonlijke vroomheid. Op grond van deze overeenkomsten en verschillen kunnen we concluderen, dat de nazoreeŽn in religieus opzicht aanmerkelijk dichter bij de essenen en de farizeeŽn stonden dan bij andere joodse groeperingen.
  • Ten tweede behoorde Jezus van huis uit niet tot de essenen. Als Jezus uit de essenen was voortgekomen, zou namelijk niet te verklaren zijn dat hij op een aantal belangrijke punten waarin de farizeeŽn verschilden van de essenen, overeenstemde met de farizeeŽn. Er was tijdens zijn leven op aarde immers geen groepering, met wie hij zoveel conflicten had als met de farizeeŽn. Er is geen enkele aanwijzing, dat hij zich ook maar op ťťn punt door hen heeft laten overtuigen. De ‘farizeese’ elementen in de leer van Jezus [17] kunnen dan ook alleen worden verklaard door aan te nemen, dat hij er van jongs af aan mee vertrouwd was en ze daardoor niet als iets typisch farizees beschouwde. Dat maakt het onwaarschijnlijk, dat Jezus is opgegroeid in een esseense gemeenschap. Hoewel de nazoreeŽn in religieus opzicht een duidelijke verwantschap met de essenen vertoonden [18], kunnen zij daarom geen tak van de essenen geweest zijn.
  • Ten derde behoorde Jezus van huis uit evenmin tot de farizeeŽn. Als Jezus uit de farizeeŽn was voortgekomen, zouden de ‘esseense’ elementen in zijn leer namelijk niet goed te verklaren zijn. Het is natuurlijk denkbaar dat Jezus elementen uit de leer van de essenen gebruikt heeft om de leer van de farizeeŽn van binnenuit te corrigeren. De meeste ‘esseense’ elementen in zijn leer speelden echter in zijn confrontaties met de farizeeŽn geen enkele rol [19]. Daarbij komt, dat Jezus meer dan eens zonder nadere verklaring uitdrukkingen, metaforen of voorstellingen gebruikte die kennelijk waren ontleend aan esseens gedachtengoed [20]. Dat wijst erop, dat hij er van jongs af aan mee opgegroeid was [21]. Ook het feit dat Jezus zijn openbare optreden begonnen is als medewerker van Johannes de Doper - die zowel in zijn levensstijl als in zijn optreden en leer sterke overeenkomsten met de essenen vertoonde - en zich pas later van diens beweging heeft gedistantieerd, wijst erop, dat de religieuze denkwereld waarmee hij van jongs af aan vertrouwd geweest was, verwant was aan die van de essenen. Dat alles maakt het onwaarschijnlijk, dat Jezus is opgegroeid in een gemeenschap van farizeeŽn. Hoewel de nazoreeŽn niet tot de essenen behoorden, kunnen zij daarom ook geen farizeeŽn geweest zijn.
  • Ten vierde geeft de hypothese, dat de nazoreeŽn een gemeenschap vormden die weliswaar niet tot de essenen of de farizeeŽn behoorde, maar aan beide groeperingen verwant was en met beide groeperingen opvattingen en denkbeelden deelde, een goede verklaring voor de mengeling van esseense en farizeese invloeden die we aantreffen bij de latere (christelijke) nazoreeŽn [22]. Natuurlijk zouden die invloeden ook het gevolg kunnen zijn van toetreding van essenen en farizeeŽn tot de christelijke gemeenschap. Het is echter zeer de vraag, of veel essenen en farizeeŽn het christelijk geloof hebben aangenomen. Er is daarvoor in de historische bronnen geen enkele aanwijzing te vinden. Een veel betere verklaring lijkt dan ook te zijn, dat de nazoreeŽn altijd al aan de essenen en de farizeeŽn verwant geweest waren en hun invloed hadden ondergaan, en dat zij de opvattingen en overtuigingen die zij aan esseens en farizees gedachtengoed hadden ontleend, niet ineens achter zich gelaten hebben, toen zij onder leiding van Jakobus de Rechtvaardige het christelijk geloof aannamen.
  • Ten vijfde waren zowel de essenen als de farizeeŽn voortgekomen uit de chasīdīm (‘vromen’), een joodse groepering die omstreeks 200 v.Chr. was ontstaan in reactie op de toenemende invloed van het hellenisme op het openbare leven in Palestina. Sinds het ontstaan van de essenen en de farizeeŽn zijn er steeds ook chasidische gelovigen geweest die zich om uiteenlopende redenen niet bij die groeperingen hadden aangesloten of zich ervan hadden afgescheiden. Die gelovigen zullen als loten aan dezelfde stam in religieus opzicht verwant geweest zijn aan de essenen en de farizeeŽn, zonder hun opvattingen in alle opzichten te delen. Het feit dat de nazoreeŽn op dezelfde wijze zowel aan de essenen als aan de farizeeŽn verwant waren zonder geheel met hen overeen te stemmen, maakt het aannemelijk, dat zij uit die gelovigen zijn voortgekomen. Temeer omdat de persoonlijke vroomheid waarvan de nazoreeŽn blijk gaven, een kenmerkende eigenschap van alle chasīdīm was.
Op basis van deze argumenten kan de oorsprong van de nazoreeŽn als volgt worden gereconstrueerd.

Opkomst van het hellenisme

Nadat Alexander de Grote (356-323 v.Chr.) de toenmalige wereldrijken van Egypte en PerziŽ vernietigd had, vestigde zich in het hele door hem veroverde gebied (van het huidige Turkije en Irak tot Egypte) een grieks-macedonische elite, die het tot halverwege de 1e eeuw v.Chr. zou blijven besturen. Bovendien werden overal in het gebied griekse koloniŽn gesticht. De nieuwe bestuurselite en de kolonisten namen de griekse cultuur mee, die al spoedig niet alleen door henzelf, maar ook door de bovenlagen van de autochtone bevolking werd beschouwd als superieur aan hun eigen, inheemse cultuur. Als gevolg daarvan ontstond uit een versmelting van de griekse cultuur met de inheemse culturen een nieuwe, hellenistische cultuur, die niet alleen tot uiting kwam in taal, literatuur, kunst en architectuur, maar ook in bestuur, religie en moraal. Overal waar de aanhangers van het hellenisme daar de kans toe kregen, werden de inheemse vormen en tradities vervangen door griekse, of op zijn minst zodanig vergriekst, dat zij voor de elite aanvaardbaar waren.

Aanvankelijk ging deze hellenisering grotendeels voorbij aan Palestina, waar de joden gedurende de 3e eeuw v.Chr. weliswaar onderworpen waren aan de opvolgers van Alexander de Grote in Egypte (de PtolemaeŽn), maar hun eigen aangelegenheden zelf mochten regelen. Dank zij hun autonomie en hun betrekkelijk geÔsoleerde woongebied werden de joden in Palestina in deze periode aanvankelijk nauwelijks door de hellenistische cultuur beÔnvloed. Vanaf ongeveer 250 v.Chr. groeide echter ook binnen de joodse elite een beweging die een hellenistische levenswijze propageerde. Als reactie daarop ontstond een beweging van ‘wetsgetrouwen’, die zich tegen de hellenisering verzette en vast wilde houden aan de voorschriften van de Tōrā. Zo ontstonden binnen de joodse samenleving spanningen die vergelijkbaar waren met de hedendaagse spanningen in moslimlanden tussen traditionele moslims enerzijds en hun meer westers georiŽnteerde volksgenoten anderzijds. De hellenisten verweten de wetsgetrouwen, dat zij niet met hun tijd meegingen en vasthielden aan versleten regels en gewoonten. De wetsgetrouwen verweten de hellenisten, dat zij ontrouw waren aan de Tōrā, de joodse godsdienst ondermijnden en deelnamen aan heidense praktijken.

Opstanden van de wetsgetrouwen

In de eerste helft van de 2e eeuw v.Chr. leidden deze spanningen als gevolg van gewijzigde politieke omstandigheden tot een confrontatie tussen het traditionele jodendom en het hellenisme. De machtsstrijd die er sinds de dood van Alexander de Grote steeds was geweest tussen de PtolemaeŽn in Egypte en hun rivalen in SyriŽ (de Seleuciden), leidde er omstreeks 200 v.Chr. toe dat Palestina uit de macht van Egypte raakte en een onderdeel werd van het syrische rijk. Anders dan de PtolemaeŽn, streefden de Seleuciden ernaar hun hele rijk te helleniseren. Zij gaven dan ook actief steun aan de pogingen van de hellenisten in Palestina om de hellenistische cultuur ook daar in te voeren. Hierdoor kon een botsing met de wetsgetrouwen niet uitblijven.

In 171 v.Chr. zagen de hellenisten met hulp van de SyriŽrs kans de wetsgetrouwe hogepriester in Jeruzalem te vervangen door een hogepriester uit eigen kring. De oppositie van de wetsgetrouwen tegen diens bewind liep drie jaar later uit op een opstand, die door de syrische koning Antiochus IV Epifanes met groot geweld werd neergeslagen. Nadat hij de opstand had onderdrukt, verving Antiochus de traditionele joodse godsdienst door een hellenistische cultus, waaraan elke jood verplicht werd deel te nemen. Verder ontheiligde hij de tempel door er onreine dieren te offeren en verbood hij de joden hun kinderen te besnijden, de in de Tōrā voorgeschreven offers te brengen, de sabbat te houden, de traditionele joodse feesten te vieren en de reinheidsvoorschriften na te leven.

De terreur waarmee de SyriŽrs deze wetten handhaafden, leidde er in 166 v.Chr. toe, dat de wetsgetrouwen onder leiding van de HasmoneeŽn opnieuw in opstand kwamen, ditmaal tegen de SyriŽrs. Het is tegen de achtergrond van deze opstand, dat de chasīdīm op het wereldtoneel verschenen - de groepering waaruit niet alleen de farizeeŽn en de essenen, maar ook de nazoreeŽn zijn voortgekomen.

Chasīdīm

De eerste vermelding van chasīdīm in een historisch document vinden we in het eerste boek der MakkabeeŽn, dat een beschrijving bevat van de opstand van de HasmoneeŽn en de oorlogen die daarop volgden. We lezen daar, hoe een groot aantal wetsgetrouwen zich door de syrische terreur genoodzaakt zag uit te wijken naar de woestijn:

In die tijd trokken velen die rechtvaardig wilden leven en wilden vasthouden aan de wet, naar de woestijn. Daar vestigden ze zich samen met hun kinderen, hun vrouwen en hun vee, want de toestand was ondraaglijk geworden.
(1 MakkabeeŽn 2:29-30)

Even verderop, in 1 MakkabeeŽn 2:42, wordt deze groep aangeduid als chasīdīm [23]. De chasidische beweging was omstreeks 200 v.Chr. ontstaan en bestond uit gelovigen die zich niet alleen inzetten voor handhaving van de Tōrā in het openbare leven, maar zich ook zelf nauwkeurig aan de voorschriften van de Tōrā hielden, geÔnspireerd werden door de spiritualiteit van de oudtestamentische profeten en de Psalmen en gekenmerkt werden door een bijzondere persoonlijke vroomheid en een apocalyptische wereldbeschouwing [24]. Binnen deze beweging ontstonden geschriften als DaniŽl, Sirach, Henoch en JubileeŽn. De beweging bestond in het begin waarschijnlijk slechts uit een aantal ongeorganiseerde groepen wetsgetrouwe gelovigen onder leiding van priesters en rabbi's die een vernieuwing van het jodendom propageerden [25]. Na verloop van tijd waren de chasīdīm zich echter gaan organiseren, waarschijnlijk om sterker te staan tegenover het officiŽle priesterschap, dat niets wilde weten van de vernieuwing die zij voorstonden [26]. Hierdoor waren zij in staat in georganiseerd verband uit te wijken naar het gebied ten oosten van de Jordaan en daar eigen nederzettingen te vormen totdat het gevaar van de syrische terreur geweken zou zijn [27]. Ook vormden zij door hun organisatie een krachtige steun voor de opstand tegen de SyriŽrs [28].

Na een aantal klinkende overwinningen wisten de HasmoneeŽn de SyriŽrs in 164 v.Chr. grotendeels uit Palestina te verdrijven, waarna de hellenisten de macht moesten opgeven, de tempel opnieuw werd ingewijd en de traditionele joodse godsdienst in ere werd hersteld. Tot op de dag van vandaag worden deze gebeurtenissen door de joden op het chanoekafeest gevierd. De HasmoneeŽn namen echter geen genoegen met het herstel van de religieuze autonomie, maar zetten de strijd voort om daarnaast ook politieke autonomie te verkrijgen. Daardoor ontstond er een verwijdering tussen hen en de chasīdīm, die geen politiek doel nastreefden, maar de opstand alleen hadden gesteund om de tempel te bevrijden en de traditionele joodse godsdienst te herstellen. Daarbij zal ook meegespeeld hebben, dat de chasīdīm in de HasmoneeŽn een onheilig streven naar macht bespeurden, in plaats van trouw aan de Tōrā. Nadat de HasmoneeŽn de SyriŽrs in de slag bij Adasa (160 v.Chr.) opnieuw een zware nederlaag hadden toegebracht [29] en de traditionele joodse godsdienst niet langer bedreigd werd [30], scheidden de chasīdīm zich dan ook van hen af en hielden zij zich voortaan afzijdig.

Breuk met de HasmoneeŽn; schisma

Het kwam tot een definitieve breuk tussen de chasīdīm en de HasmoneeŽn, toen de hasmoneese leider Jonathan Maccabaeus in 152 v.Chr. de toenmalige wetsgetrouwe hogepriester, die onder de chasīdīm groot gezag genoot en in de geschriften van de latere essenen met eerbied de ‘Leraar der gerechtigheid’ wordt genoemd, afzette en zichzelf als hogepriester liet inwijden [31]. De toe-eigening van het hogepriesterschap door Jonathan was in de ogen van de chasīdīm niet alleen onwettig, maar ook principieel onaanvaardbaar, omdat de HasmoneeŽn niet tot het geslacht van Zadok behoorden [32]. Bovendien verwierpen de chasīdīm de vermenging van de tempeldienst met wereldlijke politiek. Zij zagen daarin een gevaar voor de religieuze zuiverheid van de tempeldienst en een breuk met het verbond met Jahweh.

De ‘Leraar der gerechtigheid’ verzette zich gedurende enkele jaren tevergeefs tegen het hogepriesterschap van Jonathan, maar slaagde er daarbij niet in, alle chasīdīm onder zijn leiding te verenigen. Er was een grote groep chasīdīm die het leiderschap van de ‘Leraar’ niet wilden erkennen, omdat zij diens opvattingen niet deelden. Zo leidde de toe-eigening van het hogepriesterschap door Jonathan niet alleen tot een conflict tussen de chasīdīm en de HasmoneeŽn, maar ook tot een schisma tussen de chasīdīm onderling.

FarizeeŽn en essenen

Een groot aantal chasīdīm volgde de ‘Leraar der gerechtigheid’ en vormde tussen 150 en 145 v.Chr. onder diens leiding een strak gereglementeerde organisatie van leefgemeenschappen, die zich na de bevestiging van het hogepriesterschap van de HasmoneeŽn door het Sanhedrin (140 v.Chr.) steeds meer uit het openbare leven terugtrokken. De naam van deze chasīdīm werd naderhand via een vergrieksing van de aramese vorm verbasterd tot ‘essenen’. Een groot deel van hen zonderde zich omstreeks 130 v.Chr. af in de woestijn van Judea om daar in min of meer geÔsoleerde, kloosterachtige gemeenschappen het verbond met Jahweh te bewaren. Hiertoe behoorde onder meer de gemeenschap van Qumran, die de geschriften vervaardigde, verzamelde en bewaarde die later bekend geworden zijn als de ‘Dode-Zee-rollen’. Veel andere chasīdīm waren de ‘Leraar’ niet gevolgd en organiseerden zich, nadat zij zich omstreeks 150 v.Chr. van hem hadden afgescheiden, tezamen met andere wetsgetrouwen in Judea in een groepering die ‘farizeeŽn’ (afgescheidenen) genoemd werd. [33]

De belangrijkste verschillen tussen de farizeeŽn en de essenen waren aanvankelijk, dat de farizeeŽn de Tōrā minder strikt uitlegden, van mening waren dat ook anderen dan priesters - met name ook schriftgeleerden en rabbi's - bevoegd waren om de Tōrā uit te leggen, en meer belang hechtten aan de tempeldienst dan aan de vraag wie hogepriester mocht zijn. Later kwam daar nog bij, dat zij het isolationisme van de essenen afkeurden, hun apocalyptisch messianisme verwierpen, meer nadruk legden op praktische levensheiliging dan op het uitvoeren van reinigingsrituelen, en aan de uitwerking van de Tōrā in hun religieuze wetgeving (de halāchā) even veel gezag toeschreven als aan de Tōrā zelf. Deze verschillen namen echter niet weg, dat de farizeeŽn en de essenen loten waren van dezelfde stam en dat de spiritualiteit van de chasīdīm in beide groeperingen voortleefde. Zij verschilden daarin wezenlijk van andere joodse groeperingen, zoals de hellenisten en de sadduceeŽn.

NazoreeŽn

De spiritualiteit van de chasīdīm leefde echter niet alleen voort bij de essenen en de farizeeŽn, maar ook bij gelovigen die evenals de farizeeŽn en de essenen gekenmerkt werden door de wereldbeschouwing en vroomheid van de chasīdīm, maar zich om uiteenlopende redenen niet bij de farizeeŽn of de essenen aansloten. Onder deze nazaten van de chasīdīm ontstonden aan het eind van de 2e eeuw v.Chr. [34] groepen van gelovigen die zich voelden aangesproken door het apocalyptisch messianisme van de essenen, maar hun isolationisme verwierpen en sympathiseerden met de opvattingen van de farizeeŽn over de Tōrā. Omdat uit deze gelovigen de latere nazoreeŽn zijn voortgekomen, noem ik ze ‘proto-nazoreeŽn’. Daarmee is natuurlijk niet gezegd, dat ze zelf die naam droegen, maar alleen, dat ze de voorlopers waren van de latere nazoreeŽn. Zelf noemden zij zich waarschijnlijk evenals hun voorouders ‘chasīdīm’ [35].

Het ontstaan van een min of meer georganiseerde gemeenschap van ‘nazoreeŽn’ uit de proto-nazoreeŽn is waarschijnlijk te verklaren uit de politieke ontwikkelingen in Judea ten tijde van de hasmoneese koning Alexander Jannaeus (103-76 v.Chr.). De farizeeŽn hadden vanaf het begin van diens regering fel oppositie tegen hem gevoerd, omdat zijn honger naar macht groter was dan zijn godsdienstige integriteit. Terwijl de koning in dit conflict gesteund werd door de sadduceeŽn, stond de meerderheid van het volk achter de farizeeŽn. De spanningen die hierdoor ontstonden, liepen uiteindelijk zo hoog op, dat het volk in het jaar 93 v.Chr. onder leiding van de farizeeŽn in opstand kwam. Dit leidde tot een bloedige burgeroorlog, waarin Alexander in 88 v.Chr. uiteindelijk de overwinning behaalde, waarna hij op gruwelijke wijze wraak nam op de farizeeŽn. De joodse geschiedschrijver Flavius Josefus vermeldt, dat hij achthonderd vooraanstaande farizeeŽn liet kruisigen en, terwijl zij nog leefden, hun vrouwen en kinderen voor hun ogen liet afslachten. Vervolgens oefende Alexander een zware terreur uit tegen alle nog overgebleven farizeeŽn en degenen die met hen sympathiseerden, zodat velen van hen uit angst voor hun leven uitweken naar het gebied ten oosten van de Jordaan [36].

Tot de vluchtelingen zullen ook veel proto-nazoreeŽn hebben behoord, die weliswaar niet tot de farizeeŽn behoorden, maar in het conflict met Alexander Jannaeus wel aan hun kant stonden en daarom evenzeer voor hun leven te vrezen hadden. Het is aannemelijk, dat deze gelovigen in het asielgebied een eigen gemeenschap hebben gevormd en dat deze gemeenschap is blijven bestaan toen zij na de dood van Alexander weer naar Judea konden terugkeren. Evenals eerder het geval geweest was bij de chasīdīm en de essenen - en tot op de dag van vandaag het geval is bij gelovige joden in de diaspora -, zal het gedwongen verblijf in den vreemde voor hen een krachtige impuls geweest zijn om zich te organiseren.

Als deze verklaring juist is, is het ontstaan van de nazoreeŽn als gemeenschap te dateren omstreeks 85 v.Chr. Een bijkomend argument daarvoor is, dat er na de terreur van Alexander Jannaeus tegen de farizeeŽn en hun sympathisanten geen omstandigheden zijn aan te wijzen, die het ontstaan van de nazoreeŽn als gemeenschap zouden kunnen verklaren, terwijl het vaststaat, dat er in elk geval aan het eind van de 1e eeuw v.Chr. zo'n gemeenschap heeft bestaan. Bovendien zijn er aanwijzingen, dat er in de tijd van Johannes de Doper en Jezus in het gebied ten oosten van de Jordaan nazoreeŽn woonden [37]. Het is aannemelijk, dat het daarbij ging om nazaten van vluchtelingen die wegens de terreur van Alexander naar dat gebied waren uitgeweken en daar na diens dood waren blijven wonen.

De naam ‘nazoreeŽn’ (letterlijk: ‘wachters’) wijst erop, dat de gelovigen waaruit deze gemeenschap ontstond, het op grond van hun apocalyptisch-messiaanse toekomstverwachting als hun taak zagen, uit te kijken naar tekenen van de komst van de Messias en het Koninkrijk van God. Vermoedelijk noemden zij zich oorspronkelijk - naar Jeremia 31:6 - ‘de wachters van EfraÔm’ en werd hun naam later in de volksmond verkort tot ‘de wachters’ (in het aramees ‘nātserājē’) [38]. De nazoreeŽn stonden wat hun apocalyptische wereldbeschouwing en messiasverwachting betreft dicht bij de essenen, maar deelden met betrekking tot de Tōrā en de houding tegenover de overige joden de ruimere opvattingen van de farizeeŽn. Verder werden zij gekenmerkt door een bijzondere spiritualiteit, waarin de nadruk niet zozeer lag op het naleven van regels en het uitvoeren van rituelen, maar vooral op de persoonlijke omgang met God in de stellige verwachting, dat de komst van de Messias en het Koninkrijk van God ophanden was.

Na de dood van Alexander Jannaeus is het overgrote deel van de nazoreeŽn teruggekeerd naar Judea, waar de inmiddels gevormde gemeenschap werd voortgezet en na verloop van tijd werd geconsolideerd door de vorming van eigen synagogen met eigen geestelijk leiders, eigen godsdienstonderwijs en eigen sociale voorzieningen [39].

De nazoreeŽn vormden overigens geen gesloten gemeenschap waartoe alleen gelovigen konden toetreden die niet tot een andere groepering behoorden. Na verloop van tijd voegden zich ook farizeeŽn en essenen bij hen, zonder de banden met hun eigen groepering te verbreken. Het was dus mogelijk om als farizeeŽr of esseen tegelijk nazoreeŽr te zijn [40]. Wat dat betreft leken de nazoreeŽn op de evangelische beweging in onze tijd, waartoe gelovigen uit niet-evangelische denominaties kunnen behoren zonder hun band daarmee te verbreken. De reden voor farizeeŽn en essenen om zich bij de nazoreeŽn te voegen zal waarschijnlijk geweest zijn, dat zij weliswaar de leerstellingen van hun eigen groepering onderschreven, maar zich aangesproken voelden door de bijzondere spiritualiteit van de nazoreeŽn.

Terug naar begin

De nazoreeŽn in Jezus' tijd

In de tijd van Jezus vormden de nazoreeŽn een gemeenschap van enkele duizenden gelovigen [41], die vrijwel allen in Judea woonden. De gemeenschap had haar godsdienstige centrum in Jeruzalem [42], maar beschikte waarschijnlijk ook in diverse dorpen in het judeese heuvelland over eigen synagogen. De geestelijke leiding werd gegeven door priesters, rabbi's en profeten. De priesters verrichtten de door de Tōrā voorgeschreven godsdienstige handelingen en gaven pastorale zorg [43], de rabbi's gaven onderwijs in de Tōrā en in de geheimen van het Koninkrijk van God [44], en de profeten wekten de gelovigen ertoe op zich op de komst van de Messias voor te bereiden [45]. Anders dan destijds onder de joden gebruikelijk was, konden ook vrouwen profeet zijn en samen met een priester godsdienstige rituelen uitvoeren [46]. Bij de samenkomsten in de synagogen werd het verlangen naar de komst van de Messias en het Koninkrijk van God levend gehouden en werd naast de uitvoering van de traditionele joodse liturgie gesproken over tekenen die erop zouden kunnen wijzen, dat de Messias gekomen was [47].

Vergeleken met andere joodse stromingen - zoals de sadduceeŽn - leken de nazoreeŽn in veel opzichten op de farizeeŽn en de essenen. Evenals zij, waren de nazoreeŽn volstrekt trouw aan het verbond met God en de naleving van de Tōrā en ging het hen daarbij niet zozeer om uiterlijke rituelen, maar om persoonlijke vroomheid en daadwerkelijke toewijding. In dat opzicht stonden zij geheel in de traditie van de oudtestamentische profeten en de chasīdīm. Ook deelden zij met de farizeeŽn en de essenen de apocalyptische wereldbeschouwing van de chasīdīm. Als uitvloeisel daarvan geloofden zij evenals de farizeeŽn en de essenen in het bestaan van bovennatuurlijke tussenwezens (zoals engelen) en in een lichamelijke opstanding van de doden, verwachtten zij dat de machten van het kwaad door een ingrijpen van God in de geschiedenis definitief overwonnen zouden worden en geloofden zij in een ultiem gericht van God over de wereld, waarbij de goddelozen eeuwige straf, maar de rechtvaardigen eeuwig heil zouden ontvangen. Deze elementen van hun geloof waren niet gebaseerd op de Tōrā en werden daarom door de sadduceeŽn verworpen.

De nazoreeŽn geloofden dat God een ‘Messias’ (letterlijk: ‘gezalfde’) zou sturen, die de kwade machten zou verslaan, het gericht over de wereld zou uitoefenen en het Koninkrijk van God zou vestigen. Deze overtuiging bestond ook bij de farizeeŽn en de essenen, al hechtten met name de farizeeŽn meer belang aan de betekenis van de Tōrā voor het leven hier en nu dan aan de toekomstverwachting. Met betrekking tot de messiasverwachting was het verschil met de farizeeŽn en de essenen vooral, dat de nazoreeŽn in de concrete verwachting leefden, dat de Messias elk moment zou kunnen komen. Zoals ik al eerder heb opgemerkt, leidde dit bij hen tot een bijzondere spiritualiteit, waarin de nadruk niet zozeer lag op het naleven van regels en het uitvoeren van rituelen, maar vooral op de persoonlijke omgang met God in een hoopvol verlangen naar de komst van de Messias.

Terug naar begin

Links

Zie voor nadere informatie over de nazoreeŽn:

De teksten met het woord ‘nazoreeŽr’ in het Nieuwe Testament
De betekenis van het woord ‘nazoreeŽr’
Jezus als nazoreeŽr
De leer van de nazoreeŽn na Jezus
Epifanius over de nazoreeŽn


1. Dat de nazoreeŽn na de tweede joodse opstand tegen de Romeinen (132-135) uit Judea verdreven zijn, wordt bevestigd door Eusebius, Historia ecclesiastica, 4.5-6, en 5.12.
2. Zie Epifanius, Panarion, 29; HiŽronymus, De viris illustribus, 2-3, Commentaar op Jesaja, diverse passages, Commentaar op MattheŁs, diverse passages, Dialogi contra Pelagianos, 3.2, en Brieven aan Augustinus, 112, IV; en Theodoret, Haereticorum fabularum compendium, 2.2. Zonder uitdrukkelijke vermelding van hun naam, wordt ook naar de nazoreeŽn verwezen in Justinus Martyr, Dialogus cum Tryphone, 46-47; Origenes, Contra Celsum, 5.61; Eusebius, Historia ecclesiastica, 3-5; en Epifanius, De mensuris et ponderibus, 15. Voor een uitgebreid overzicht van de bronnen verwijs ik naar R.A. Pritz, Nazarene Jewish Christianity, Jerusalem/Leiden, 1988.
3. Vgl. E. Meijering, Geschiedenis van het vroege Christendom. Van de jood Jezus van Nazareth tot de Romeinse keizer Constantijn, Amsterdam, 2004, pp. 220-231; G.P. Luttikhuizen, De veelvormigheid van het vroegste christendom, Delft, 2004 (2e druk), pp. 75-100.
4. Eusebius, Historia ecclesiastica, 3.5.
5. Flavius Josefus, Bellum Judaicum, 2.20.1.
6. Hierbij kan worden gedacht aan volgelingen van Johannes de Doper, bekeerlingen van Jezus (vgl. Marcus 5:20), chasīdīm of essenen.
7. Epifanius, Panarion, 29 en 31.
8. Een deel van de nazoreeŽn die naar Pella waren uitgeweken, keerde na afloop van de oorlog weer naar Jeruzalem terug, terwijl een ander deel in Pella achterbleef. Hierdoor ontstonden na het jaar 70 twee gemeenschappen van nazoreeŽn: ťťn in Jeruzalem en ťťn in Pella. Toen de Romeinen in het jaar 135 de tweede joodse opstand hadden neergeslagen en alle joden uit Jeruzalem verdreven, voegden de nazoreeŽn uit Jeruzalem zich weer bij hun geloofsgenoten in Pella. Vermoedelijk heeft deze hereniging geleid tot spanningen tussen de beide groepen, doordat in de periode 70-135 binnen de geÔsoleerde nazoreese gemeenschap in Pella opvattingen waren ontstaan die niet spoorden met de opvattingen van de nazoreeŽn uit Jeruzalem. Het is aannemelijk, dat deze spanningen er uiteindelijk toe hebben geleid dat een radicale stroming binnen de oorspronkelijke gemeenschap van Pella zich omstreeks het midden van de 2e eeuw onder de naam ‘ebionieten’ van de meer gematigde nazoreeŽn heeft afgescheiden.
9. Zie Eusebius, Historia ecclesiastica, 2.1 en 2.23, Handelingen 12:17, 15:13-21 en 21:18, Galaten 1:19, 2:9 en 2:12, en Thomas 12. De betrouwbaarheid van deze bronnen wordt bevestigd door Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 20.9.1.
10. Zie Jezus als nazoreeŽr.
11. Vgl. H. Stegemann, The Library of Qumran. On the Essenes, Qumran, John the Baptist, and Jesus, Grand Rapids/Cambridge, 1998, p. 219.
12. Zie Jezus als nazoreeŽr.
13. Dit blijkt uit de informatie die in de evangeliŽn gegeven wordt over het geloof van personen die kennelijk al vůůr het openbare optreden van Jezus tot dezelfde religieuze gemeenschap behoorden als hij, zoals Jozef en Maria, Zacharias en Elisabeth, Simeon, Hanna en Johannes de Doper. Alleen al het feit dat Jozef en Maria beiden een visioen kregen dat zij interpreteerden als boodschappen van God, dat zij de ouders van de Messias zouden worden (MattheŁs 1:20-24, Lucas 1:26-38), wijst erop, dat zij leefden in de overtuiging dat de Messias spoedig zou komen en daar zů verwachtingsvol naar uitzagen, dat het in hun ogen een reŽle mogelijkheid was dat zij, als God dat wilde, de ouders van de Messias zouden zijn. We kunnen daaruit afleiden, dat Jozef en Maria tot een geloofsgemeenschap behoorden waarin sterk rekening gehouden werd met de mogelijkheid, dat de Messias zich in hun tijd zou manifesteren en mogelijk zelfs binnen hun eigen kring geboren zou worden. Hetzelfde geldt voor Zacharias en Elisabeth, Simeon, Hanna en Johannes de Doper. Het is aannemelijk, dat deze gemeenschap de kring van gelovigen was die in Lucas 2:38 wordt aangeduid als ‘allen die voor Jeruzalem verlossing verwachtten’ en waartoe vrijwel zeker ook Jozef van Arimathea behoorde (Lucas 23:50-51). Zie hierover ook Jezus als nazoreeŽr. Zoals daar is aangegeven, was deze kring zeer waarschijnlijk al vanaf de 1e eeuw v.Chr. bekend als ‘de nazoreeŽn’.
14. Zie Jezus als nazoreeŽr.
15. Zie Jezus als nazoreeŽr.
16. In de tijd van Jezus bestond nog geen eenstemmigheid over het gezag van de Nevī’īm. De farizeeŽn en de essenen erkenden de Nevī’īm als goddelijke openbaring, de sadduceeŽn erkenden ze slechts als commentaar op de Tōrā.
17. Bijvoorbeeld de samenvatting van de Tōrā in de formule: “Gij zult Jahweh, uw God, liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met geheel uw kracht, en uw naaste als uzelf” (MattheŁs 22:34-40, Marcus 12:28-31). Zoals blijkt uit Lucas 10:25-27, had Jezus deze formule niet zelf bedacht, maar ontleend aan de leer van de farizeeŽn (vgl. ook Marcus 12:32-33). De nadruk die in deze formule gelegd wordt op de liefde als kern van de Tōrā, paste niet in de opvattingen van de essenen, die veel meer waarde hechtten aan rituelen, discipline en gebed.
18. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de lofzang van Zacharias (Lucas 1:68-79) en het optreden van Johannes de Doper. Ook de spiritualiteit van Jozef, Maria, Simeon en anderen wijst op verwantschap met de essenen. Hetzelfde geldt voor het feit dat zowel Johannes de Doper als Jezus de komst van het ‘Koninkrijk van God’ aankondigde.
19. Voor zover mij bekend was de enige gelegenheid waarbij Jezus zich met een ‘esseense’ opvatting tegen de farizeeŽn keerde, het debat over de echtscheiding. De farizeeŽn stonden, zij het onder voorwaarden, echtscheiding toe. Daar tegenover leerde Jezus, evenals de essenen, dat echtscheiding onder alle omstandigheden in strijd was met de Tōrā. Andere ‘esseense’ elementen in de leer van Jezus, zoals de positieve waardering van armoede (Lucas 6:20) en de apocalyptische toekomstverwachting (MattheŁs 24), speelden geen enkele rol in confrontaties met de farizeeŽn.
20. Voorbeelden daarvan zijn de uitspraken van Jezus in MattheŁs 5:43, Lucas 16:8 en Johannes 12:36. In het eerstgenoemde vers citeerde Jezus een esseense leefregel, in de beide andere gebruikte hij de esseense uitdrukking ‘kinderen van het licht’. Ook de aanwijzing van een groep van twaalf volgelingen om de twaalf stammen van Israel te regeren (MattheŁs 19:28, Lucas 22:30), berustte waarschijnlijk op esseense opvattingen.
21. Uit het feit dat hij ‘esseense’ uitdrukkingen, metaforen en voorstellingen niet nader verklaarde, blijkt dat hij ze als vanzelfsprekend beschouwde. Dat zou zeker niet het geval geweest zijn, als hij er niet van jongs af aan mee opgegroeid was, maar ze pas later van de essenen had overgenomen.
22. Esseense invloeden vinden we bijvoorbeeld in de opvattingen over de Messias en het einde der tijden, de dualistische wereldbeschouwing, de doop, het ideaal van ascese en de wijze waarop de christelijke gemeenschap werd bestuurd. Farizeese invloeden treffen we aan in de opvatting van de Tōrā, de openheid naar de wereld en gedachte dat het geloof moet doorwerken in het maatschappelijk leven.
23. Dat vers 42 op dezelfde groep slaat als de verzen 29-38, blijkt uit de grondtekst en de context. Het gebruik van het griekse woord ‘tote’ (daarna) aan het begin van vers 42 wijst erop, dat de gebeurtenis die in dat vers beschreven wordt, een reactie was op de gebeurtenis in het voorafgaande vers. Volgens vers 41 had een groep gezaghebbende wetsgetrouwen naar aanleiding van de in vers 29-38 beschreven gebeurtenissen het besluit genomen, dat het sabbatsgebod zů uitgelegd moest worden, dat het op de sabbat was toegestaan zichzelf te verdedigen. Dat besluit gaf kennelijk voor de chasīdīm in vers 42 de doorslag om zich bij de HasmoneeŽn aan te sluiten. Dat kan alleen het geval geweest zijn, als zij tevoren van mening geweest waren, dat zij zich op de sabbat niet mochten verdedigen. Welnu, dit was precies de opvatting van de wetsgetrouwen in vers 29-38. Dat maakt het aannemelijk, dat het ook in die verzen ging om chasīdīm en dat vers 42 betrekking heeft op chasīdīm die aan de slachting van vers 38 ontkomen waren of zich op het moment van die slachting op een andere plaats bevonden hadden. Dit wordt bevestigd door het feit dat in vers 29 gesproken wordt over degenen die ‘rechtvaardig wilden leven’ en dat de chasīdīm ook wel ‘rechtvaardigen’ werden genoemd (Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 12.6.3). Bovendien waren de chasīdīm onder de wetsgetrouwen de enigen die min of meer georganiseerd waren en daardoor in staat waren tot een ordelijke emigratie zoals beschreven in de verzen 29-30. Vgl. H. Stegemann, The Library of Qumran. On the Essenes, Qumran, John the Baptist, and Jesus, Grand Rapids/Cambridge, 1998, pp. 145-146.
24. De apocalyptische wereldbeschouwing kenmerkte zich door (a) een geloof in bovennatuurlijke tussenwezens (engelen, satan, demonen, boze geesten), (b) een geloof in een leven na de dood, (c) de verwachting van een ingrijpen van God in de geschiedenis, waarbij de machten van het kwaad definitief worden overwonnen en het Koninkrijk van God gevestigd wordt, en (d) het geloof in een laatste oordeel, waarbij de goddelozen eeuwige straf, maar de rechtvaardigen eeuwig heil ontvangen. Deze geloofselementen waren niet ontleend aan de Tōrā, noch aan andere geschriften die destijds algemeen als gezaghebbend werden aanvaard. Het ging dan ook om een ingrijpende vernieuwing binnen het jodendom. De meer traditionele wetsgetrouwen wezen de apocalyptische wereldbeschouwing af.
25. De vernieuwing die de chasidische beweging voorstond, bestond niet alleen uit de apocalyptische wereldbeschouwing, maar ook uit een meer dynamische opvatting van de Tōrā, op grond waarvan het mogelijk was in de overlevering nieuwe interpretaties van de Tōrā te ontwikkelen waaraan even veel gezag toekwam als aan de Tōrā zelf. Ook hechtten de chasīdīm meer belang aan heiligheid dan aan offerdienst.
26. Dat de chasīdīm zich al in 167 v.Chr. hadden georganiseerd, blijkt uit het gebruik van het woord ‘sunagōgŤ’ (vergadering) in 1 MakkabeeŽn 2:42. Letterlijk staat er, dat een ‘vergadering’ van chasīdīm zich bij de HasmoneeŽn aansloot. Dat wijst erop, dat het niet maar om een aantal individuele chasīdīm ging, maar om een georganiseerde groep. Dat het officiŽle priesterschap niets moest hebben van de vernieuwing van de chasīdīm, kan worden afgeleid uit de latere controverse tussen de sadduceeŽn en de farizeeŽn. De farizeeŽn waren erfgenamen van de vernieuwing, de sadduceeŽn (de priesterelite) wezen de vernieuwing af. Het is ook begrijpelijk, dat het officiŽle priesterschap een tegenstander van de vernieuwing was. Doordat de chasīdīm meer belang hechtten aan heiligheid dan aan offerdienst, zou de vernieuwing er uiteindelijk toe leiden dat het priesterschap de geestelijke leiding over het volk zou verliezen, ten gunste van schriftgeleerden en rabbi's.
27. Zie hierover H. Stegemann, The Library of Qumran. On the Essenes, Qumran, John the Baptist, and Jesus, Grand Rapids/Cambridge, 1998, pp. 145-146.
28. Het belang van de steun van de chasīdīm voor de opstand blijkt uit de aansporing van de priester Mattathias aan zijn zonen, zich van de steun van de chasīdīm te verzekeren (Flavius Josefus, Antiquitates Judaicae, 12.6.3) en wordt bevestigd door het feit dat de kracht van de HasmoneeŽn sterk afnam, toen zij die steun verloren hadden (zie bijvoorbeeld 1 MakkabeeŽn 9:6-7). Het is aannemelijk, dat het daarbij niet zozeer ging om de religieuze gedrevenheid van de chasīdīm (die hen immers afkerig maakte van het gebruik van oorlogsgeweld), als wel om hun organisatie. De chasīdīm vormden in Palestina het eerste georganiseerde verband van joden buiten de staatsinstellingen en de tempelorganisatie. Dat maakte hen aanvankelijk tot een krachtige bondgenoot van de HasmoneeŽn en later, toen zij tegenover hen kwamen te staan, tot een geduchte tegenstander.
29. Zie 1 MakkabeeŽn 7:39-50, 2 MakkabeeŽn 15, Flavius Josefus, Bellum Judaicum, 1.1.6, en Antiquitates Judaicae, 12.10.5.
30. Als gevolg van de overwinning verloor de hellenistische hogepriester Alkimus, die ruim een jaar eerder door Antiochus V was benoemd en zich kort nadien nog met geweld tegen de chasīdīm gekeerd had (1 MakkabeeŽn 7:12-18), zijn politieke macht en werd zijn rol beperkt tot zijn religieuze ambt als hogepriester. Hierdoor vormde hij niet langer een bedreiging voor de chasīdīm. Het jaar daarop stierf Alkimus en benoemden de joden als opvolger voor hem een wetsgetrouwe hogepriester uit het geslacht van Zadok. Uit het feit dat de SyriŽrs na de dood van Alkimus geen pogingen meer deden om een nieuwe hogepriester te benoemen, blijkt dat zij inmiddels de macht over het religieuze leven in Judea verloren hadden en de oorlogen tegen de joden alleen nog voerden om te voorkomen dat zij zich ook politiek zouden afscheiden.
31. De historische bronnen vermelden alleen, dat Jonathan de benoeming tot hogepriester door de syrische troonpretendent Alexander Balas aanvaardde. Uit geschriften van de gemeenschap in Qumran kan echter worden afgeleid, dat er destijds al een hogepriester was, namelijk de zgn. ‘Leraar der gerechtigheid’, die kort daarna als reactie op zijn afzetting de gemeenschap der essenen zou stichten. Zie H. Stegemann, The Library of Qumran. On the Essenes, Qumran, John the Baptist, and Jesus, Grand Rapids/Cambridge, 1998, pp. 147-149. De aanvaarding van het hogepriesterschap door Jonathan moet dan ook gepaard gegaan zijn met een afzetting van de ‘Leraar’. Dat verklaart ook de vijandschap tussen de ‘Leraar’ en Jonathan, waarvan de geschriften van de gemeenschap van Qumran getuigen.
32. Volgens de joodse traditie kwam het hogepriesterschap alleen toe aan nakomelingen van Zadok. Vgl. EzechiŽl 44:15.
33. Zie over het schisma van de chasīdīm en het ontstaan van de essenen en de farizeeŽn H. Stegemann, The Library of Qumran. On the Essenes, Qumran, John the Baptist, and Jesus, Grand Rapids/Cambridge, 1998, pp. 149-152.
34. Deze datering volgt uit de chronologie. Enerzijds zal het na het schisma van de farizeeŽn en de essenen minstens tot omstreeks 130 v.Chr. geduurd hebben, voordat de chasīdīm die tot geen van beide stromingen behoorden, zich dat voldoende realiseerden om elkaar als geestverwanten op te zoeken. Anderzijds had het ontstaan van deze ‘proto-nazoreeŽn’ waarschijnlijk te maken met het feit dat de essenen zich in hun toenemend isolationisme terugtrokken in afgelegen kloosterachtige nederzettingen zoals die van Qumran, waardoor de gelovigen die zich met hen verwant voelden, maar hun isolationisme afwezen, genoodzaakt werden steun te zoeken bij elkaar. Op grond van deze argumenten is de eerste groepsvorming van de proto-nazoreeŽn vermoedelijk te dateren tussen 120 en 100 v.Chr.
35. Dat zou kunnen verklaren, dat de joodse geschiedschrijver Flavius Josefus de nazoreeŽn heeft aangezien voor een variant van de essenen. Een aanwijzing daarvoor vinden we in Bellum Judaicum, 2.8.4, waar Josefus melding maakt van essenen die niet in afgezonderde gemeenschappen woonden, maar verspreid over het land in de steden. Het is mogelijk, dat deze ‘essenen’ in werkelijkheid nazoreeŽn waren.
36. Zie Flavius Josefus, Bellum Judaicum, 1.4.6, en Antiquitates Judaicae, 13.14.2.
37. Zie bijvoorbeeld Epifanius, Panarion, 18.
38. Vgl. Jezus als nazoreeŽr en De betekenis van het woord ‘nazoreeŽr’.
39. Het consolidatieproces zal door de rumoerige tijd voordat Herodes de Grote het land politieke stabiliteit had gebracht, zeer geleidelijk zijn gegaan. Gedurende de eerste decennia na de dood van Alexander Jannaeus zullen de nazoreeŽn vooral bezig geweest zijn met de vorming van een samenhangende gemeenschap in Judea. De eigenlijke consolidatie zal daarna vermoedelijk nog geduurd hebben tot omstreeks 20 v.Chr., toen Palestina zowel maatschappelijk als in godsdienstig opzicht in rustiger vaarwater terechtgekomen was. Uit Lucas 2 kan worden afgeleid, dat het consolidatieproces in elk geval vůůr het eind van de 1e eeuw v.Chr. voltooid was. Dat de gemeenschap eigen godsdienstonderwijs en eigen sociale voorzieningen had, blijkt uit Lucas 2:41-49 en Handelingen 6:1.
40. Dit blijkt uit het feit dat de nazoreeŽr Johannes de Doper waarschijnlijk een esseen was en van de nazoreeŽr Nikodemus wordt vermeld, dat hij farizeeŽr was (Johannes 3:1).
41. Vgl. Handelingen 4:4. Het overgrote deel van de ‘vijfduizend’ zullen nazoreeŽn geweest zijn. Als we bij de mannen de vrouwen en kinderen optellen en in aanmerking nemen, dat er ook nazoreeŽn waren die zich niet bij de volgelingen van Jezus voegden, kunnen we daaruit afleiden, dat er in de tijd van Jezus minstens 15.000 nazoreeŽn geweest moeten zijn. Dit aantal kan overdreven zijn, maar enkele duizenden zullen het er zeker geweest zijn. Vgl. Jezus als nazoreeŽr.
42. Dit blijkt onder meer uit Lucas 2.
43. Vgl. Lucas 2:22-35.
44. Vgl. Lucas 2:46-47.
45. Vgl. het optreden van Hanna, Johannes de Doper en Jezus.
46. Dit blijkt uit Lucas 2:36-38.
47. Vgl. Lucas 2:38.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 14 januari 2011