שמע  ישראל  יהוה  אלהינו  יהוה  אחד

Onderwerpen

Brondocumenten van het oorspronkelijke kerstverhaal

door J.C. Plooy


Inleiding

Het oorspronkelijke kerstverhaal is de beschrijving van de geboorten van Johannes de Doper en Jezus zoals het door de evangelist Lucas is opgetekend en met enkele aanvullingen is vastgelegd in Lucas 1:5-2:40. Wat de evangelist MattheŁs over de geboorte van Jezus vermeldt (MattheŁs 1:18-25), beperkt zich tot informatie over het huwelijk van Jozef en Maria en kan dus geen kerstverhaal worden genoemd - al is het natuurlijk wel belangrijk om een compleet beeld te krijgen van wat er rond de geboorte van Jezus is gebeurd. Het verhaal in MattheŁs 2:1-12 (over de wijzen uit het oosten) is wel een kerstverhaal, maar niet het oorspronkelijke: het is een legende die achteraf aan de informatie over Jezus' geboorte is toegevoegd (zie De legende van de wijzen uit het oosten).

De evangelist Lucas heeft zijn kerstverhaal vrijwel zeker ontleend aan een nazorees document dat informatie bevatte die waarschijnlijk deels terugging op verklaringen van de moeder van Jezus, Maria, deels op overleveringen uit de kring van gelovigen waartoe Maria behoorde. Dat document was een samenvoeging van twee eerdere nazoreese documenten met betrekking tot de geboorte van Johannes de Doper en Jezus, waarin de auteur om literaire redenen een viertal liturgische hymnen had ingevlochten: het ‘Magnificat’ (Lucas 1:46b-55), het ‘Benedictus’ (Lucas 1:68-79), het ‘Gloria’ (Lucas 2:14) en het ‘Nunc dimittis’ (Lucas 2:29-32). Het is aannemelijk dat de hymnen geen deel uitmaakten van de oorspronkelijke documenten, maar pas bij de samenvoeging ervan zijn toegevoegd. [1]

De oorspronkelijke documenten waren geschreven in het aramees en waarschijnlijk tussen de jaren 40 en 60 ontstaan. Zij waren echter niet overal bekend, in ieder geval niet bij de auteur van het Evangelie der hebreeŽn, dat eveneens onder de nazoreeŽn is ontstaan en min of meer in diezelfde tijd geschreven is [2]. Ook het samengestelde document, dat vermoedelijk pas na het jaar 60 is ontstaan en door de evangelist Lucas is gebruikt, was waarschijnlijk niet overal bekend. Wellicht hadden zowel de oorspronkelijke documenten als het samengestelde document hun oorsprong in Galilea en was het Evangelie der hebreeŽn ontstaan in Judea, maar daarover kan vooralsnog geen zekerheid worden verkregen [3]. In ieder geval mag worden aangenomen, dat de evangelist Lucas bij zijn onderzoek naar de feiten met betrekking tot het leven van Jezus (vgl. Lucas 1:1-4) gestoten is op het samengestelde document, dat op dat moment weinig bekend was, maar over de geboorte van Jezus belangrijke informatie bevatte, die de evangelist betrouwbaar genoeg vond om in zijn evangelie op te nemen.

Wij beschikken helaas niet over een authentiek exemplaar van de documenten die de basis hebben gevormd voor het kerstverhaal van de evangelist Lucas, maar het is met behulp van zijn evangelie wel mogelijk de teksten ervan met een hoge mate van waarschijnlijkheid te reconstrueren. Hierna geef ik de gereconstrueerde teksten, voor zover nodig voorzien van voetnoten waarin de reconstructie wordt gemotiveerd. Ik volg daarbij waar mogelijk de NBG-vertaling van 1951, die weliswaar enigszins gedateerd is, maar over het algemeen nauwkeuriger is dan de latere nederlandse vertalingen. Eventuele correcties op de NBG-vertaling zijn in voetnoten gemotiveerd.

Tekst van het eerste document

Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Ašron en haar naam was Elisabeth. Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk. En zij waren kinderloos, omdat Elisabeth onvruchtbaar was, en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen.

En het geschiedde, toen hij de priesterdienst voor God verrichtte in de beurt zijner afdeling, dat hij door het lot werd aangewezen, volgens de regel van de priesterdienst, om de tempel des Heren binnen te gaan en het reukoffer te brengen. En de gehele volksmenigte was buiten in gebed op het uur van het reukoffer. En hem verscheen een engel des Heren, staande ter rechterzijde van het reukofferaltaar. En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving hem. Maar de engel zeide tot hem: “Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabeth zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met een heilige geest [4] zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, en velen der kinderen Israels zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden”. En Zacharias zeide tot de engel: “Waaraan zal ik dit weten? Want ik ben een oud man en mijn vrouw is op hoge leeftijd gekomen”. En de engel antwoordde en zeide tot hem: “Ik ben GabriŽl, die voor Gods aangezicht sta, en ik ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze blijmare te verkondigen. En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan”. En het volk stond op Zacharias te wachten en zij verwonderden zich, dat hij zo lang in de tempel vertoefde. Toen hij dan naar buiten kwam, kon hij niet tot hen spreken en zij begrepen, dat hij in de tempel een gezicht gezien had. En hij wenkte hun toe en bleef stom. En het geschiedde, toen de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij vertrok naar zijn huis.

Na die dagen werd Elisabeth, zijn vrouw, zwanger, en zij verborg zich vijf maanden, want, zeide zij: “Aldus heeft de Here aan mij gedaan in de dagen waarin Hij op mij nederzag om mijn smaad onder de mensen weg te nemen”.

In de zesde maand nu werd de engel GabriŽl van God gezonden naar een stad in Galilea, genaamd Nazareth, tot een maagd, die ondertrouwd was met een man, genaamd Jozef, uit het huis van David, en de naam der maagd was Maria. En toen hij bij haar binnengekomen was, zeide hij: “Wees gegroet, gij begenadigde, de Here is met u”. Zij ontroerde bij dat woord en overlegde, welke de betekenis van die groet mocht zijn. En de engel zeide tot haar: “Wees niet bevreesd, Maria; want gij hebt genade gevonden bij God. En zie, gij zult zwanger worden en een zoon baren, en gij zult hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en Zoon des Allerhoogsten genoemd worden, en de Here God zal hem de troon van zijn vader David geven, en hij zal als koning over het huis van Jakob heersen tot in eeuwigheid, en zijn koningschap zal geen einde nemen”. En Maria zeide tot de engel: “Hoe zal dat geschieden?”[5] En de engel antwoordde en zeide tot haar: “Een heilige geest [6] zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen [7]. En zie, Elisabeth, uw verwante, is eveneens zwanger van een zoon in haar ouderdom en dit is reeds de zesde maand voor haar, die onvruchtbaar heette. Want geen woord dat van God komt, zal krachteloos wezen”. En Maria zeide: “Zie, de dienstmaagd des Heren; mij geschiede naar uw woord”. En de engel ging van haar heen.

Maria dan maakte zich op in die dagen en reisde met spoed naar het bergland, naar een stad van Juda. En zij ging het huis van Zacharias binnen en groette Elisabeth. En toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, geschiedde het, dat het kind opsprong in haar schoot, en Elisabeth werd vervuld met een heilige geest [8]. En zij riep uit met luider stem en sprak: “Gezegend zijt gij onder de vrouwen en gezegend is de vrucht van uw schoot. En waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder mijns Heren tot mij komt? Want zie, toen het geluid van uw groet in mijn oren klonk, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. En zalig is zij, die geloofd heeft, want wat vanwege de Here tot haar gezegd is, zal volbracht worden”. [9] En Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar en keerde terug naar haar huis.

Toen voor Elisabeth de tijd vervuld was dat zij baren zou, bracht zij een zoon ter wereld. En haar buren en nabestaanden hoorden, dat de Here zijn barmhartigheid aan haar had grootgemaakt, en zij verheugden zich met haar. En het geschiedde, toen de achtste dag was aangebroken, dat zij kwamen om het kind te besnijden, en zij wilden het naar de naam van zijn vader Zacharias noemen. Doch zijn moeder antwoordde en zeide: “Neen, hij moet Johannes genoemd worden”. En zij zeiden tot haar: “Er is toch niemand in uw familie, die die naam draagt”. En zij beduidden zijn vader, dat hij beslissen zou, hoe hij het kind genoemd wilde hebben. En hij vroeg om een schrijftafeltje en schreef deze woorden: “Johannes is zijn naam”. En zij verwonderden zich allen. En terstond werd zijn mond geopend en zijn tong (losgemaakt), en hij sprak, God lovende. En over allen, die in hun nabijheid woonden, kwam vrees, en in het gehele bergland van Judea werden al deze dingen besproken. En allen die het hoorden, namen het ter harte en zeiden: “Wat zal er van dit kind worden?” Want de hand des Heren was met hem. [10] [11] En hij vertoefde in de woestijnen tot op de dag, dat hij zich aan Israel vertoonde.

En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. [12] En zij gingen allen op reis om zich te laten inschrijven, ieder naar zijn eigen stad. Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazareth, naar Judea, naar de stad van David, die Bethlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke zwanger was. En het geschiedde, toen zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zou, en zij baarde haar eerstgeboren zoon en wikkelde hem in doeken en legde hem in een kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.

En toen acht dagen vervuld waren, zodat zij hem moesten besnijden, ontving hij ook de naam Jezus, die door de engel genoemd was, eer hij in de moederschoot was ontvangen. En toen de dagen hunner reiniging naar de wet van Mozes vervuld waren, brachten zij hem naar Jeruzalem om hem de Here voor te stellen, gelijk geschreven staat in de wet des Heren: ‘Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here’, en om een offer te brengen overeenkomstig hetgeen in de wet des Heren gezegd is, een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israel, en een heilige geest was op hem [13]. En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnenbrachten om met hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God. [14] En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: “Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israel en tot een teken, dat weersproken wordt - en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden”. Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuel, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten.

En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. [15]

Tekst van het tweede document

Toen Jezus geboren was,[16] waren er herders in diezelfde landstreek, die zich ophielden in het veld en des nachts de wacht hielden over hun kudde. En opeens stond een engel des Heren bij hen en de heerlijkheid des Heren omstraalde hen, en zij vreesden met grote vreze. En de engel zeide tot hen: “Weest niet bevreesd, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die heel het volk zal ten deel vallen: U is heden de Heiland geboren, namelijk Christus, de Heer, in de stad van David. En dit zij u het teken: Gij zult een kind vinden in doeken gewikkeld en liggende in een kribbe”. [17] En het geschiedde, dat de herders tot elkander spraken: “Laten wij dan naar Bethlehem gaan om te zien hetgeen geschied is en ons door de Here is bekendgemaakt”. En zij gingen haastig en vonden Maria en Jozef, en het kind liggende in de kribbe. En toen zij het gezien hadden, maakten zij bekend hetgeen tot hen gesproken was over dit kind. En allen, die ervan hoorden, verbaasden zich over hetgeen door de herders tot hen gezegd werd. [18] En de herders keerden terug, God lovende en prijzende om alles wat zij hadden gehoord en gezien, gelijk het hun gezegd was.


1. Er zijn sterke taalkundige en stilistische aanwijzingen, dat de tekst van Lucas 1:5-2:40 ontleend is aan een afzonderlijk document van palestijns-joodse oorsprong. Zo wordt in dit gedeelte aanmerkelijk meer dan elders in het Evangelie van Lucas gebruik gemaakt van hebraÔsmen en aan het hebreeuws ontleende zinsconstructies. Vgl. A.F.J. Klijn, De wordingsgeschiedenis van het Nieuwe Testament, Utrecht/Antwerpen, 1978 (6e druk), pp. 53-54. Het lijdt geen twijfel, dat daarbij gedacht moet worden aan een nazorees document, aangezien de nazoreeŽn in het toenmalige Palestina de enige godsdienstige groepering vormden waarin documenten als dit zouden kunnen ontstaan. Het is aannemelijk, dat dit document is ontstaan door een doorlopend verhaal uit ťťn betrekkelijk groot nazorees document samen te voegen met een tekst uit een kleiner nazorees document en er vervolgens vier liturgische hymnen in te vlechten. Dat verreweg het grootste deel van het verhaal (Lucas 1:5-2:7 en Lucas 2:21-40) is ontleend aan ťťn document, kan worden afgeleid uit de interne samenhang en coherente structuur ervan. Op grond van de volgende argumenten is het plausibel, dat daarnaast gebruik gemaakt is van een tweede document, waaraan Lucas 2:8-20 is ontleend. Ten eerste vormt die passage een op zichzelf staand geheel, zonder narratief verband met de rest van het verhaal. Ten tweede is zij van een ander genre dan de rest van het verhaal: de nadruk ligt niet op de geboorte van Jezus als historisch feit, maar op de religieuze betekenis ervan. Ten derde wordt Jezus in die passage niet ‘Jezus’ genoemd, en ook niet ‘de Christus’ (zoals verwacht zou mogen worden, vgl. Lucas 2:26), maar ‘Christus’ zonder meer. Het laatste wijst erop, dat de passage ontleend is aan een bron uit een tijd waarin de titel ‘Christus’ al gebruikt werd als een soort eigennaam voor Jezus, terwijl de bron waaraan de rest van het verhaal is ontleend, Jezus uitsluitend aanduidt met de eigennaam ‘Jezus’. Aangezien het gebruik van de naam ‘Christus’ als een soort eigennaam voor Jezus uit een latere tijd stamt, kan daaruit worden afgeleid, dat het tweede document van latere datum is dan het eerste. De auteur van het document dat uiteindelijk door de evangelist Lucas is gebruikt, moet de twee oorspronkelijke documenten hebben samengevoegd tot ťťn doorlopend verhaal, waarbij hij de tekst van het tweede document heeft tussengevoegd tussen de beschrijving van Jezus' geboorte (Lucas 2:7) en de vermelding van diens besnijdenis (Lucas 2:21). Dat de hymnen niet in de oorspronkelijke documenten voorkwamen, maar pas in de tekst zijn ingevlochten toen die documenten werden samengevoegd, kan worden afgeleid uit (a) het feit dat zij afzonderlijke literaire eenheden vormen, zonder narratieve samenhang met de context waarin zij in de uiteindelijke tekst zijn opgenomen, en (b) het feit dat de teksten van de oorspronkelijke documenten beide zijn aangevuld met een of meer hymnen, hetgeen alleen te verklaren is, als de invlechting van de hymnen heeft plaatsgevonden door de auteur die de documenten heeft samengevoegd. Dat de informatie in de documenten deels terugging op verklaringen van Jezus' moeder Maria, deels op overleveringen uit de kring van gelovigen waartoe Maria behoorde, kan worden afgeleid uit teksten als Lucas 1:26-56, Lucas 2:6-7, Lucas 2:19 en Lucas 2:34-35. Zoals uit Lucas 2:5 blijkt, kan de informatie in het eerste brondocument niet rechtstreeks van Maria afkomstig geweest zijn, aangezien Maria uiteraard heel goed wist dat Jozef en zij al gehuwd waren toen zij naar Bethlehem gingen (MattheŁs 1:24-25). De informatie in het tweede brondocument zou wel rechtstreeks van Maria afkomstig geweest kunnen zijn (vgl. Lucas 2:19), maar daarover kan vooralsnog slechts worden gespeculeerd.
2. Dat kan worden afgeleid uit het feit dat het Evangelie van Lucas geheel onafhankelijk van het Evangelie van MattheŁs is ontstaan. Ook de verschillen tussen MattheŁs 1:18-25 en het kerstverhaal in het Evangelie van Lucas wijzen erop, dat de auteur van het Evangelie der hebreeŽn - de vermoedelijke bron van de tekst in MattheŁs - niet bekend geweest is met de documenten waaraan de beschrijving van Lucas is ontleend.
3. De hypothese, dat het door de evangelist Lucas gebruikte document en de daaraan ten grondslag liggende documenten hun oorsprong in Galilea hadden en het Evangelie der hebreeŽn in Judea was ontstaan, wordt door twee aanwijzingen ondersteund. De eerste is, dat het Evangelie der hebreeŽn onder de nazoreeŽn groot gezag gekregen heeft, terwijl het door de evangelist Lucas gebruikte document en de daaraan ten grondslag liggende documenten lange tijd weinig bekend gebleven zijn. Dat wijst erop, dat het eerste in het godsdienstige centrum van de nazoreese gemeenschap (Judea) is ontstaan en de andere in de godsdienstige periferie ervan (Galilea). De tweede aanwijzing is het feit dat Maria in Galilea woonde: dat versterkt het vermoeden, dat documenten met informatie die terugging op verklaringen van Maria en op overleveringen uit de kring van gelovigen waartoe zij behoorde, in Galilea zijn ontstaan.
4. Er staat in de griekse grondtekst geen lidwoord bij ‘heilige geest’.
5. In het Evangelie van Lucas is daaraan toegevoegd: ‘daar ik geen omgang met een man heb’ (Lucas 1:34). Er zijn echter goede redenen om aan te nemen, dat die bijzin niet in het oorspronkelijke document voorkwam, maar door de evangelist is toegevoegd. Dat Maria gezegd zou hebben, dat zij geen omgang met een man had, klopt namelijk niet met het feit dat Maria op dat moment al ondertrouwd was met Jozef (Lucas 1:27). Het is niet aannemelijk, dat een meisje dat al met een man ondertrouwd is en weet dat zij binnenkort ook geslachtsgemeenschap met hem zal hebben, zich afgevraagd zou hebben, hoe zij zwanger zou kunnen worden. De engel had Maria alleen verteld, dat zij zwanger zou worden, niet wanneer dat zou gebeuren. Het lag voor Maria dan ook voor de hand te denken, dat het zou gebeuren nadat zij met Jozef getrouwd was en geslachtsgemeenschap met hem had gehad. Bovendien was de bijzonderheid in de boodschap van de engel niet, dat Maria zwanger zou worden - dat lag in de lijn der verwachtingen -, maar dat zij zwanger zou worden van de Messias (Lucas 1:32-33). Maria had dan ook geen enkele reden om te denken, dat zij zonder geslachtsgemeenschap zwanger zou worden, en zich af te vragen, hoe dat kon. Nee, haar reactie was gewoonweg: “Hoe zal dat geschieden?” - met andere woorden: Hoe kan dat nou? Hoe kan mijn kind, het kind van een meisje zoals ik, de Messias worden? Het antwoord van de engel paste ook bij die vraag. De engel verklaarde Maria niet, hoe zij zonder geslachtsgemeenschap zwanger kon worden. Veel mensen denken, dat Maria volgens Lucas 1:35 zwanger gemaakt zou worden door de heilige Geest. Dat staat er echter niet. Er staat alleen, dat er een heilige geest over Maria zou komen - hetgeen wil zeggen, dat God haar zwangerschap zou gebruiken om een heilig plan tot uitvoering te brengen (het bijzondere plan dat God met het kind had) - en dat de kracht van de Allerhoogste haar zou overschaduwen - hetgeen wil zeggen, dat God haar daarbij zou beschermen. Het antwoord van de engel kwam er dus op neer, dat God zelf zich over haar en haar kind zou ontfermen, en dat zij zich er geen zorgen over hoefde te maken hoe haar kind de Messias zou kunnen worden, omdat God zelf daarvoor zou zorgen. Dit verklaart ook de reactie van Maria in Lucas 1:38: na de geruststellende belofte van de engel vertrouwde zij haar leven toe aan God. De bijzin in Lucas 1:34 is dus niet alleen inconsistent met andere informatie in de tekst, maar speelt in de tekst als geheel ook geen enkele rol. Op deze gronden is het aannemelijk, dat hij niet tot de oorspronkelijke tekst behoorde, maar er achteraf aan is toegevoegd. De reden van die toevoeging was waarschijnlijk, dat de evangelist er vanuit zijn theologisch perspectief - het geloof van hellenistische christenen omstreeks het jaar 80 - geen misverstand over wilde laten bestaan, dat Jezus niet door geslachtsgemeenschap was verwekt, maar door goddelijk handelen buiten de ‘omgang met een man’ om.
6. Er staat in de griekse grondtekst geen lidwoord bij ‘heilige geest’.
7. In het Evangelie van Lucas is daaraan toegevoegd: ‘daarom zal ook het heilige dat verwekt wordt, Zoon van God genoemd worden’ (Lucas 1:35b). Er zijn echter goede redenen om aan te nemen, dat die uitspraak niet in het oorspronkelijke document voorkwam, maar door de evangelist is toegevoegd. Er is in Lucas 1:35 namelijk een merkwaardige contradictie tussen de uitspraak, dat Maria ‘overschaduwd zou worden door de kracht van de Allerhoogste’, en de uitspraak, dat Jezus om die reden ‘Zoon van God’ genoemd zou worden. Als er een oorzakelijk verband zou zijn tussen de ‘overschaduwing door de kracht van de Allerhoogste’ enerzijds en het ‘Zoon van God’ zijn van Jezus anderzijds, zouden we immers mogen verwachten, dat Jezus volgens de engel een zoon van God zou zijn. Temeer, omdat dat een duidelijker antwoord op de vraag van Maria geweest zou zijn. In plaats daarvan zegt de engel slechts, dat Jezus ‘Zoon van God’ genoemd zou worden. Dat wijst erop, dat de evangelist er niet omheen kon, dat Maria alleen dat van de engel gehoord had - en niet, dat Jezus een zoon van God was. Op grond hiervan is het aannemelijk dat het oorzakelijk verband, dat in Lucas 1:35 wordt gesuggereerd, niet oorspronkelijk is, maar achteraf aan de overlevering is toegevoegd. De reden daarvan was waarschijnlijk, dat de auteur aan de uitdrukking ‘Zoon van God’, die voorheen enkel werd opgevat als een titel voor de Messias, een meer ontologische inhoud heeft willen geven (iemand die door God is verwekt). Daarbij komt, dat de uitspraak over het ‘Zoon van God’ genoemd worden van Jezus, afgezien van het gesuggereerde oorzakelijke verband, niets aan het verhaal toevoegt: dat Jezus ‘Zoon van God’ genoemd zou worden, had de engel al gezegd in Lucas 1:32 en geeft geen antwoord op de vraag van Maria, hoe dat zou geschieden. Verder sluit de uitspraak over de heilige geest die over Maria zou komen en de kracht van de Allerhoogste die haar zou overschaduwen (Lucas 1:35a) in het antwoord van de engel op haar vraag naadloos aan op de uitspraak over de zwangerschap van Elisabeth (Lucas 1:36-37), terwijl de uitspraak daar tussenin de continuÔteit van de tekst juist doorbreekt. Ook dat wijst erop, dat de tussenliggende uitspraak (Lucas 1:35b) achteraf is toegevoegd. De reden van die toevoeging was waarschijnlijk, dat de evangelist er vanuit zijn theologisch perspectief - het geloof van hellenistische christenen omstreeks het jaar 80 - geen misverstand over wilde laten bestaan, dat Jezus niet door geslachtsgemeenschap was verwekt, maar door goddelijk handelen buiten een man om.
8. Er staat in de griekse grondtekst geen lidwoord bij ‘heilige geest’.
9. De auteur die de oorspronkelijke documenten heeft samengevoegd tot het document dat uiteindelijk door de evangelist is gebruikt, heeft op deze plaats het ‘Magnificat’ ingelast, een hymne die hij waarschijnlijk heeft ontleend aan de nazoreese liturgie (Lucas 1:46b-55). Door de hymne aan Maria toe te schrijven gaf hij aan, dat zij inhoudelijk geheel in de geest was van wat Maria destijds dacht en voelde.
10. De auteur die de oorspronkelijke documenten heeft samengevoegd tot het document dat uiteindelijk door de evangelist is gebruikt, heeft op deze plaats het ‘Benedictus’ ingelast, een hymne die hij waarschijnlijk heeft ontleend aan de nazoreese liturgie (Lucas 1:68-79). Door de hymne aan Zacharias toe te schrijven en in vers 76 het woord ‘kind’ toe te voegen gaf hij aan, dat zij inhoudelijk geheel in de geest was van wat Zacharias destijds dacht en voelde, en maakte hij van de hymne een profetie over Johannes de Doper.
11. In het Evangelie van Lucas is na het ‘Benedictus’ toegevoegd: ‘Het kind nu groeide op en werd gesterkt door de geest’ (Lucas 1:80a). Gelet op de parallel met Lucas 2:40 en Lucas 2:52 (waarvan in ieder geval de laatste niet aan de brontekst ontleend kan zijn) is het echter aannemelijk, dat die uitspraak door de evangelist is toegevoegd. De evangelist heeft dat waarschijnlijk gedaan om de episoden over Johannes' geboorte af te sluiten, zoals hij in Lucas 2:40 en Lucas 2:52 vergelijkbare uitspraken heeft toegevoegd om de episoden over Jezus' geboorte en zijn jeugd af te sluiten. Dat niet alleen het ‘Benedictus’, maar ook de uitspraak in Lucas 1:80a door de evangelist is toegevoegd, wordt bevestigd door het feit dat de uitspraak in Lucas 1:80b over het verblijf van Johannes in de woestijnen naadloos aansluit op de uitspraak in de laatste zin voor het ‘Benedictus’, dat de hand des Heren met hem was (Lucas 1:66).
12. In het Evangelie van Lucas is daaraan toegevoegd: ‘Deze inschrijving had voor het eerst plaats, toen Quirinius het bewind over SyriŽ voerde’ (Lucas 2:2). Aangezien deze uitspraak de loop van het verhaal onderbreekt en daarin geen rol speelt, is het aannemelijk dat zij niet in de brontekst voorkwam, maar als een soort historische voetnoot door de evangelist is toegevoegd.
13. Er staat in de griekse grondtekst geen lidwoord bij ‘heilige geest’.
14. De auteur die de oorspronkelijke documenten heeft samengevoegd tot het document dat uiteindelijk door de evangelist is gebruikt, heeft op deze plaats het ‘Nunc dimittis’ ingelast, een hymne die hij waarschijnlijk heeft ontleend aan de nazoreese liturgie (Lucas 2:29-32). Door de hymne aan Simeon toe te schrijven en in vers 33 te betrekken op Jezus gaf hij aan, dat zij inhoudelijk geheel in de geest was van wat Simeon destijds dacht en voelde, en maakte hij van de hymne een profetie over Jezus.
15. In het Evangelie van Lucas is hieraan toegevoegd: ‘Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op hem’ (Lucas 2:40). Gelet op de parallel met Lucas 1:80a en Lucas 2:52 (waarvan in ieder geval de laatste niet aan de brontekst ontleend kan zijn) is het echter aannemelijk, dat die uitspraak door de evangelist is toegevoegd. De evangelist heeft dat waarschijnlijk gedaan om de episoden over Jezus' geboorte af te sluiten, zoals hij in Lucas 1:80a en Lucas 2:52 vergelijkbare uitspraken heeft toegevoegd om de episoden over Johannes' geboorte en Jezus' jeugd af te sluiten.
16. Hoewel deze bijzin niet in het Evangelie van Lucas voorkomt, is het aannemelijk dat hij tot het brondocument behoorde, omdat zowel het verhaal als geheel als de bepaling ‘in diezelfde landstreek’ anders onbegrijpelijk zou zijn. De auteur die de oorspronkelijke documenten heeft samengevoegd tot het document dat uiteindelijk door de evangelist is gebruikt, heeft de bijzin waarschijnlijk weggelaten omdat hij in de context van het samengestelde document overbodig was. Weliswaar is het in theorie ook mogelijk, dat de onderhavige tekst deel heeft uitgemaakt van een groter verhaal over de geboorte van Jezus, maar er is niets dat daarop wijst.
17. De auteur die de oorspronkelijke documenten heeft samengevoegd tot het document dat uiteindelijk door de evangelist is gebruikt, heeft op deze plaats het ‘Gloria’ ingelast, een hymne die hij waarschijnlijk heeft ontleend aan de nazoreese liturgie (Lucas 2:14). Het is aannemelijk, dat de lofprijzing door een grote menigte van engelen niet op de oorspronkelijke beschrijving van het visioen berust, maar op een christelijke legende waarin de geboorte van de Messias door een grote menigte van engelen wordt becommentarieerd - een stijlfiguur die we ook tegenkomen in het boek Openbaring. Zij is namelijk qua vorm niet in overeenstemming met de wijze waarop in de bronnen van Lucas en de Handelingen der apostelen visioenen beschreven worden, te weten als mededelingen. Hemelse lofprijzing komt alleen voor in de apocalyptische literatuur (vgl. Openbaring), en ook daarin gaat het waarschijnlijk om liturgische teksten die aan de beschrijvende tekst zijn toegevoegd. Ook het feit dat vers 15 - afgezien van de redactionele aanvulling ‘toen de engelen van hen heengevaren waren naar de hemel’ - naadloos aansluit op vers 12, wijst erop, dat de tekst in de tussenliggende verzen en de zojuist genoemde redactionele aanvulling door de evangelist zijn toegevoegd.
18. In het Evangelie van Lucas is hieraan toegevoegd: ‘Doch Maria bewaarde al deze woorden, die overwegende in haar hart’ (Lucas 2:19). Dat deze uitspraak niet tot de brontekst behoorde, maar door de evangelist is toegevoegd, kan worden afgeleid uit de parallel met Lucas 2:51. De evangelist heeft er waarschijnlijk mee willen aangeven, dat de informatie over de gebeurtenissen afkomstig was van Maria.


Deze site is in ontwikkeling en zal geleidelijk worden verbeterd en aangevuld.
Ik raad u daarom aan mij geregeld te bezoeken om kennis te nemen van eventuele updates.
© Jacobus C. Plooy, DJC
Datum laatste update van deze pagina: 28 juli 2022